En verder:
11 - Van rennen naar landen
14 - Muziekcolumn: Fietsen en fietsen
16 - Prikkelverwerking
19 - Bekijk de kansen en verlaag de werkdruk
22 - Rustpuntjes in je groep
28 - Tussen haast en verbinding
31 - Voetsporen in de drukte
38 - Okiddo 4-12 jaar: Podcast maken
42 - Yoga voor jonge kinderen
51 - De kracht van improvisatietheater
54 - Als iedereen iets van je wil
60 - Focusing met kinderen
70 - Rekenen als race
74 - Bewegen op de bso
82 - Breng rust in je groep met crebelen
84 - Media op de groep
90 - Geef kinderen ruimte
94 - Spelen als het druk is
Het is acht uur. De groep stroomt vol. Een peuter huilt omdat papa weggaat. Een ouder wil nog snel iets met je bespreken. Een collega vraagt iets. Je denkt intussen aan de activiteit die nog voorbereid moet worden. Je bent nog geen kwartier bezig en er wordt al van alle kanten aan je getrokken. Herkenbaar?
In de kinderopvang is drukte onderdeel van het werk. Kinderen hebben aandacht nodig. Ouders hebben vragen. Collega’s doen een beroep op je. Daarnaast zijn er taken die uitgevoerd moeten worden, afspraken die nagekomen moeten worden en onverwachte situaties die tussendoor ontstaan. Veel pedagogisch professionals zijn daar goed in. Sterker nog: juist het constant schakelen, organiseren en zorg bieden, maakt het werk vaak leuk. Maar wanneer de druk lang aanhoudt en alles elkaar in hoog tempo blijft opvolgen, gebeurt er intussen vaak nog iets: we gaan sneller werken en sneller reageren. En we gaan dan soms ook sneller voorbij aan onszelf.
Wat druk met mensen doet
Bij kinderen zien we vaak direct wat drukte doet. Ze worden drukker, emotioneler of trekken zich juist terug. Hun hoofd en lijf krijgen onvoldoende tijd om indrukken te verwerken. Bij volwassenen werkt dat eigenlijk niet veel anders.
Dat geldt voor pedagogisch professionals, en ook voor ouders. Veel ouders zitten midden in de tropenjaren. Ze combineren werk, gezin, afspraken, slaaptekort en alle dagelijkse beslommeringen die horen bij een jong gezin. Ook zij hebben momenten nodig om even stil te staan, op adem te komen en bewust aanwezig te zijn.
Wanneer we voortdurend bezig zijn met wat er nog moet gebeuren, komen we gemakkelijker terecht in de automatische piloot. We luisteren minder aandachtig, reageren sneller en nemen minder tijd om stil te staan bij wat er werkelijk nodig is. Dat merken kinderen en dat merken ouders. En we merken we het zelf vaak ook. We zijn aanwezig, maar niet altijd volledig.
Geen tijd om te landen
Toen ik leidinggaf aan een team merkte ik hoe voelbaar drukte soms kan zijn. Ik liep een ruimte binnen en voelde direct de energie. Iedereen was al bezig met wat er nog moest gebeuren, wat eerder die ochtend was gebeurd of wat er later op de dag nog op hen wachtte. Op zulke momenten probeerde ik niet direct oplossingen te zoeken, ik benoemde dan liever wat ik zag: ‘Wat is hier veel energie.’ ‘Ik zie dat jullie al volop bezig zijn.’ Of: ‘Dat kind zit echt te genieten van zijn bouwwerk.’
Door aandacht te geven aan wat er op dat moment zoal gebeurde, ontstond er vaak iets bijzonders. Mensen leken weer even te landen in het hier en nu. Vertragen hoeft namelijk niet altijd te betekenen dat je minder doet. Soms betekent het simpelweg dat je weer even ziet wat er allemaal al is.
Van kindgericht naar mensgericht
De kinderopvang heeft de afgelopen jaren grote stappen gezet in kindgericht werken. Terecht. Het gaat om het kind. Maar om werkelijk aanwezig te kunnen zijn voor kinderen, is iets anders evenzeer nodig, namelijk: aandacht voor de professional.
Want wie voortdurend geeft zonder af en toe even stil te staan, loopt het risico zichzelf te verliezen in allerlei taken, vragen en verwachtingen. Dat betekent niet dat pedagogisch professionals egoïstischer zouden moeten worden. Integendeel. Juist wanneer je nu en dan even stilstaat bij hoe het met jou gaat, kun je ook weer beter aansluiten bij wat kinderen, ouders en collega’s nodig hebben.
Een eenvoudige routine
Vertragen hoeft niet ingewikkeld te zijn. Een routine die ik geregeld deel met teams kost slechts tien minuten per dag. Vijf minuten in de ochtend en vijf minuten aan het eind van de dag. In de ochtend sta je bijvoorbeeld stil bij vragen als: • Hoe gaat het met mij vandaag?
In de kinderopvang en gastouderopvang zien we het steeds vaker: pedagogisch professionals die af en toe met de handen in het haar zitten. De taken stapelen zich op, de werkdruk neemt toe en het lukt niet altijd meer om die lieve, vrolijke juf, meester of gastouder te zijn die je zo graag wilt zijn.
De sector is volop in beweging. Nieuwe regels, hogere verwachtingen en steeds meer verantwoordelijkheden zorgen ervoor dat er veel van medewerkers wordt gevraagd. Denk aan bijscholing, veiligheid, hygiëne, rapportages maken, observeren, communiceren met ouders, kinderen en collega’s… en intussen wil je vooral doen waar je hart ligt: er zijn voor de kinderen!
Automatische piloot
Door personeelstekorten en volle groepen voelt het soms alsof je voornamelijk aan het rennen bent. Je wil alles goed doen en komt tijd tekort. Leuke activiteiten schieten erbij in, en voor je het weet, werk je op de automatische piloot. Aan het einde van de dag vraag je je af: waar is de tijd gebleven? En misschien nog belangrijker: waar is mijn energie gebleven?
Toch hoeven we ons mooie vak hierdoor niet te laten ondersneeuwen. De vraag is misschien niet alleen: hoe krijgen we meer tijd of meer handen op de groep? Maar ook: hoe kunnen we slimmer kijken naar wat er al is?
Hoe zou het zijn als we ‘moeten’ vaker kunnen ombuigen naar ‘mogen’? Als dagelijkse taken niet alleen verplichtingen zijn, maar ook kansen? Kansen op spel, verbinding, ontwikkeling en op minder werkdruk. Eén ding is zeker: een groot deel van je leven besteed je aan werk. Als je met tegenzin werkt, voelt alles zwaarder en daalt je energie. Jij hebt ervoor gekozen om met kinderen te werken. Zij laten ons iedere dag iets belangrijks zien: plezier zit vaak in de eenvoudigste dingen. Wanneer je van een uitdaging een spel kunt maken, wordt werk direct lichter.
Van moeten naar mogen
Op de werkvloer zijn veel taken die moeten worden uitgevoerd. Denk aan eetmomenten, slaapmomenten, plannen maken, kinderen observeren, formulieren invullen en schoonmaken. Vaak doe je deze taken snel tussendoor en juist dan ontstaat het gevoel dat je alleen maar bezig bent met regelen en schoonmaken. Gevoelsmatig kom je minder toe aan de kinderen. Intussen vragen kinderen aandacht, liefde en begeleiding. De kunst is om balans te vinden tussen alles wat gedaan moet worden en het spelen met de kinderen. De oplossing ligt soms verrassend dichtbij, want voor kinderen is alles spel. Wat gebeurt er als je in jouw hoofd het plaatje verandert van ik moet dit doen naar ik mag dit doen?
Fruit halen als ontwikkelmoment
Evy en Mik, twee dreumesen, lopen mee naar de keuken. Ze mogen fruit uit de koelkast pakken en in de fruitschaal leggen. Samen met juf Isabel bekijken ze het fruit en zij benoemt alles één voor één. ‘Dat is een banaan… en kijk, een appel!’ Het fruit wordt gewassen, de kinderen tellen de bekers en gaan terug naar de groep.
Het is een herkenbaar moment op iedere bso. Kinderen komen binnen na een lange schooldag. Stoelen schuiven, stemmen worden luider en voor je het weet zit de energie overal; behalve op de plek waar jij ’m graag zou willen hebben.
Al snel noemen we dat ‘druk’. Maar eerlijk is eerlijk: zou jij na een dag stilzitten wél rustig op een stoel blijven zitten? Kinderen hebben urenlang geluisterd, gewerkt en zich aangepast. Hun hoofd zit vol en hun lijf eigenlijk ook. Wat ze dan nodig hebben, is niet nóg een moment van stilzitten, maar juist de ruimte om in beweging te komen.
Binnen Monkey Moves BSO — waar we werken met een wetenschappelijk onderbouwde multisport-aanpak — zien we dat elke dag gebeuren. Beweging is geen onderbreking van de middag, maar de sleutel tot hoe kinderen hun dag verwerken. Daar laten ze spanning los. En minstens zo belangrijk: daar groeien ze van.
Druk gedrag is vaak opgebouwde spanning
Veel kinderen komen uit school met spanning in hun lijf. Niet altijd zichtbaar als stress, maar wel merkbaar: ze wiebelen, praten door elkaar of hebben moeite om hun aandacht erbij te houden. Dat komt niet alleen door wat er op een dag gebeurt, maar ook door wat eraan ontbreekt: bewegen.
Wat we dan ‘druk gedrag’ noemen, is eigenlijk iets compleet logisch. Een kind dat nog geen kans heeft gehad om zijn energie en indrukken kwijt te raken. Als je het zo bekijkt, verandert er iets. Het wordt minder iets dat je moet oplossen, en meer iets dat je kunt begeleiden. En dat sluit aan bij wat we uit onderzoek weten. Zelfregulatie is bij kinderen nog volop in ontwikkeling. Spanning en prikkels uiten zich daardoor vaak in gedrag in plaats van door woorden. Wat wij zien als ‘druk’, is dus vaak een lijf dat zegt: help me even ontladen.
Beweging de sleutel tot ontladen én verwerken
Zodra kinderen in beweging komen, gebeurt er iets moois. Niet alleen fysiek, maar ook mentaal. Tijdens het rennen, klimmen of samenspelen zie je kinderen letterlijk hun dag verwerken. Ze laten spanning los, oefenen sociale situaties en bouwen ongemerkt aan hun zelfvertrouwen. Ontladen en ontwikkelen lopen daarbij continu door elkaar heen. Terwijl een kind rent, laat het iets los. Terwijl het speelt, leert het iets bij. Dat is geen toeval. Onderzoek laat zien dat beweging een belangrijke rol speelt in hoe kinderen informatie verwerken en emoties reguleren. Lichaam en hoofd werken daarin samen en dat zie je terug op de bso. Wat daarbij opvalt, is dat ieder kind zijn eigen manier van doen heeft. De één wil rennen tot hij erbij neervalt, de ander zoekt juist uitdaging in mikken, balanceren of samenwerken. Precies daarom werken we bij Monkey Moves BSO met multisport. Kinderen maken kennis met verschillende vormen van bewegen, zonder dat ze meteen ergens goed in hoeven te zijn. Juist die variatie helpt kinderen om spanning op hun eigen manier te verwerken. Tegelijk voorkomt het dat kinderen vroeg vast komen te zitten in één vorm van bewegen waarin ze moeten presteren. In plaats daarvan ontdekken ze waar ze plezier in hebben; dat is de basis voor blijvende motivatie. Onderzoek laat zien dat zo’n brede basis niet alleen goed is voor de motorische ontwikkeling, maar ook voor het plezier in bewegen. En wie plezier heeft, blijft bewegen. Zo simpel — en zo belangrijk — is het eigenlijk.
In dit artikel gaan we in op mogelijke oorzaken van drukte en hoe je de rust weer terugbrengt in de klas. Jonge kinderen zijn volop in ontwikkeling en alles komt nog ongefilterd het lichaam binnen: geluiden, geuren, smaken, emoties, bewegingen, licht of kleur. Daardoor raken kinderen snel het stuur kwijt en hebben ze ons nodig om weer tot rust te komen.
Het is donderdag en de kinderen komen weer binnen. Malika is bezig met haar haar, want het elastiekje van haar vlecht is stuk. Boris zit Faisal achterna, het tikspel van buiten is voor deze twee duidelijk nog niet gestopt. Madelief loopt weer met haar hoofd in de wolken en vergeet dat ze haar schoenen moet inwisselen voor haar pantoffels. Sterre en Luna huppelen hand in hand naar binnen en Lester probeert ze na te doen. Als iedereen eindelijk in de kring zit, lijkt het alsof de wervelwind aan energie nog steeds door de klas heen gaat. Ze blijven wiebelen, friemelen, kletsen en schuiven met hun voeten. Wat nu? Je herkent het vast, de omschrijving van deze donderdag. Probeer het storende gedrag niet te corrigeren, maar benoem wat je ziet opdat je begrijpt dat ze aan het leren zijn om hun stem en hun lichaam op school goed te gebruiken. Connectie boven correctie, kortom.
Creatieve beweegspelletjes op muziek
Als je naar het gedrag kijkt, dan zie je de behoefte die eronder zit. Kinderen maken geluiden, schreeuwen of praten veel: het is nodig om hun stem en adem te gebruiken. Kinderen kunnen niet stil zitten op hun stoel: het is nodig om hun lichaam te gebruiken. Meestal is het een combinatie van beide.
Laten we eens kijken hoe je samen met de kinderen de hoge energie kunt laten wapperen en ook weer tot rust kunt brengen. Dat lukt met creatieve beweegspelletjes op muziek, het zogeheten crebelen. Soms lukt het in een paar seconden met een klapspelletje of een liedje. Maar meestal is er iets meer tijd voor nodig om kinderen letterlijk weer rustig in hun lichaam te laten zakken.
Vier kinderen duiken in een verkleedkoffer. Niet veel later rennen ze met een hoop geluid door de ruimte. Er worden draken verslagen, ridders vechten en prinsessen dansen in hun jurken. Jij staat erbij en kijkt ernaar. En je denkt: wat een lawaai. Wat een chaos.
Een dergelijke, vrije spelsituatie kan verschillende dingen bij je oproepen. Misschien wil je de kinderen rustig krijgen, of ben je zelfs bezig te bedenken hoe dit niet uit de hand gaat lopen. Maar het kan ook zijn dat je zin hebt om een hoedje uit de kist te pakken en met de kinderen mee te spelen.
Toneelspel wordt door veel pedagogisch professionals niet gestimuleerd bij kinderen, vanwege de onrust die het kan veroorzaken. Hoewel er al veel onderzoek naar de positieve effecten van theater is gedaan, wordt het door pedagogische professionals als leerinstrument nog maar weinig ingezet. En dat is jammer, want vanuit het fantasiespel dat kinderen van nature spelen, kunnen ze de nodige vaardigheden leren.
Motor voor ontwikkeling
Zodra kinderen geboren zijn, verkennen ze al spelend vanuit nieuwsgierigheid de wereld om hen heen. Baby’s door te kijken, na te doen en met materialen te experimenteren. Hierdoor ontdekken ze wat de regels in deze nieuwe omgeving zijn en hoe ze zich daartoe moeten verhouden. Plezier is daarbij geen bijzaak, maar een drijfveer. Wanneer kinderen betrokken en nieuwsgierig zijn, staat hun brein opener om te leren. Spelen vormt daardoor een krachtige motor in hun ontwikkeling.
Wanneer kinderen ouder worden, wordt de focus vanzelf meer naar anderen verlegd. Door samen te spelen, ontwikkelen kinderen zich nog sneller. In interactie met elkaar leren ze grenzen verkennen, samen te werken, met elkaar te communiceren en problemen creatief op te lossen. Ze gaan zich steeds meer verdiepen in rollenspel. Iets wat ontzettend belangrijk is volgens onderzoeker Lev Vygotsky: door zich in een andere rol te verplaatsen, leren ze boven zichzelf uit te stijgen en zichzelf te reguleren.
Die zelfregulering is belangrijk voor kinderen. Het levert ze het vermogen om hun aandacht, gedrag en impulsen te sturen. Het zorgt ervoor dat ze beter kunnen leren, makkelijker sociale contacten kunnen aangaan en veerkrachtiger zijn. Juist daarom is theater zo’n krachtige vorm van spel. In theater en rollenspel komen fantasie, samenwerking, communicatie en zelfregulering samen.
Speel eens wat vaker mee!
Er zit dus veel pedagogische waarde in rollenspel! Uiteraard is jouw rol van pedagogisch professional hierbij van groot belang. Speel daarom eens wat vaker mee met de kinderen. Doordat je meespeelt, wordt je onderdeel van de groep. Kinderen ervaren op die manier dat het heel gewoon is om fouten te maken, plezier te hebben en te kunnen experimenteren. Er ontstaat zodoende meer vertrouwen tussen jou en de kinderen, waardoor ze zich meer laten zien, makkelijker durven uit te spreken en nieuwe dingen uitproberen. Door mee te spelen kun je het spel verdiepen. Je introduceert nieuwe woorden, stelt vragen en daagt kinderen uit om verder te denken dan ze zelf zouden doen. Zo help je kinderen nét een stap verder in hun ontwikkeling dan ze uit zichzelf zouden komen.
Kinderen reageren op ons. Wat wij doen, voelen en uitstralen, werkt door in de groep. Op drukke momenten heb je dat niet altijd door. Dan zit je al in de stand van regelen, oplossen en vooruitdenken. Juist dan gaan we vaak méér bewegen, méér regelen en sneller schakelen. Dat voelt logisch, maar helpt pedagogisch niet altijd. Vaak werkt het de onrust juist in de hand.
Ik kom binnen op een VVE-peutergroep voor een kind-observatie. Het is druk. Wat is druk? Dat is natuurlijk subjectief. Ik kom op veel groepen, maar dit vind ik echt druk. Overal gebeurt iets. Een kind roept vanaf de wc om hulp. Bij de bouwhoek grijpen twee peuters naar dezelfde blokken en een derde begint te gillen. Een groepje kinderen rent rondjes om de tafel. Op de bank staat een peuter te springen. De vloer ligt bezaaid met spulletjes uit het keukentje en het jongetje dat nog maar net gewend is dwaalt een beetje rond. Aan de andere kant van de groep wacht een kind bij het schilderbord op haar beurt. Een van de pedagogisch professionals vangt mijn blik als ik binnenkom. Haar ogen zeggen genoeg: niet nu.
Ze probeert overal tegelijk te zijn. Zet een omgevallen stoeltje recht, hoort het gegil bij de bouwhoek harder worden en draait die kant op. Halverwege roept het kind vanaf de wc opnieuw. Ze stopt. Kijkt over haar schouder naar het schilderbord. Naar het kind dat nog steeds wacht. Pfff. Waar te beginnen?
Geen terechtwijzing
Brandjes blussen. Van hot naar her. Haar collega doet hetzelfde aan de andere kant van de groep. Handen te kort. Ik loop naar haar toe en zeg: ‘En nu ga je even rustig zitten.’
Ze kijkt me aan. Gaat zitten. Maar haar ogen flitsen door de ruimte. Alles in de gaten houdend. Paraat om direct weer op te springen. Ik weet hoe het klonk. Alsof ik haar terechtwees terwijl zij keihard aan het werk was. Dat bedoelde ik niet. Ik wilde haar uit een patroon halen waar ze niet meer uit kwam. En het lukte ons. Niet meteen, maar wel gaandeweg.
Wie of wat is hier eigenlijk druk?
Terwijl wij rustig zaten en praatten, stelde ik vragen. Zij keek naar de kinderen op de groep. Er veranderde iets. Ze nam afstand en werd rustiger. Een kind kwam tegen haar aan zitten en ging daarna verder spelen. Het kind op de wc had intussen zelf zijn broek omhoog gedaan en kwam trots de hoek om. De groep werd niet ineens stil. Dat hoeft ook niet. Maar er kwam weer wat lucht. Onrust op een peutergroep schrijven we snel toe aan de kinderen. Aan een drukke dag, aan de samenstelling van de groep of aan kinderen die veel vragen. Begrijpelijk. Maar als ik een onrustige groep binnenloop, stel ik mezelf altijd nog weer een andere vraag: hoe bewegen de volwassenen zich door de ruimte?
Als zitten voelt als nietsdoen
In het gesprek met deze pedagogisch professional kwam iets boven wat ik vaker hoor. Als een groep druk is, wil je daar iets aan doen. Je wilt de sfeer terugbrengen, botsingen voorkomen en kinderen weer aan het spelen krijgen. Dus ga je aan de slag. Je pakt materiaal, zet een activiteit klaar, loopt naar een kind toe, begeleidt een conflict of maakt een hoek aantrekkelijker.
Daaronder zit vaak een hardnekkige gedachte: als ik stilzit en alleen maar kijk, ben ik dan wel echt aan het werk? Herken je dat?
Veel pedagogisch professionals zijn doeners. Dat is een kwaliteit. Ze zien veel, pakken veel op en zijn betrokken. Maar juist die kwaliteit kan bij drukte in de weg gaan zitten. Dan ga je steeds harder werken, terwijl de groep eigenlijk om vertraging vraagt. Rustig gaan zitten op een vaste plek voelt op zo’n moment bijna tegenstrijdig. Toch kan het precies zijn wat nodig is om dit te doorbreken. Je stopt niet met werken. Je kijkt. Je maakt contact. Je houdt overzicht. Je bent voorspelbaar. Je geeft kinderen de kans om ongestoord te spelen. Rustig gaan zitten op een vaste plek voelt op zo’n moment bijna tegenstrijdig. Toch kan het precies zijn wat nodig is om dit patroon te doorbreken. Je stopt niet met werken. Je kijkt, maakt contact en houdt overzicht. Je bent beschikbaar en nabij en geeft kinderen de kans om ongestoord te spelen.
‘Ik weet het ook wel’, zei de pedagogisch professional. ‘Als ik zelf rustiger ben, zijn de kinderen dat ook. Maar ja, ik vind dat echt lastig als er van alles om mij heen gebeurt.’
Drukte op je werk ervaren kan ermee te maken hebben hoe stressvol het is, en of er tijd is om even op te laden of juist te ontladen. Zowel voor de pedagogisch professional als het kind. Want kinderen die goed zijn opgeladen én fijn kunnen ontladen, hebben hun weerklank op de werkdruk die de professional ervaart.
We spreken allemaal meerdere talen. Onze mimiek, de klank van onze stem, onze houding en al ons handelen: we begrijpen ze heel goed van elkaar. Een verbindende factor in vele van deze talen kan gevonden worden in spontaan en gezamenlijk muzikaal spel. In dit artikel gaan we kijken hoe je samen met de kinderen aan de slag kunt met het ontladen van energie en het vinden van rust of een gezamenlijk ritme in het spel, waardoor klein en groot weer kunnen opladen. Want juist de afwisseling tussen actief en rust, gezamenlijk en individueel spel, beweging en op adem komen - en ga zo maar door - zorgt ervoor dat je in evenwicht kunt blijven.
Samenspel als rustpunt
Door regelmatig met een groep of deel van de groep samen een activiteit te spelen waarin je elkaar écht vindt op hetzelfde moment, ontstaat verbinding. Denk aan samen trommelen, klappen, schudden of zwaaien met doekjes. In de hersenen van eenieder die daaraan meedoet is activiteit terug te vinden in bijvoorbeeld de sociale afstemming. Bovendien is deze vorm van geluid maken en bewegen vaak juist rustgevend. Niet omdat het stil is, maar omdat het gelijk op gaat en iedereen met (ongeveer) hetzelfde bezig is. Gooi dus niet allerlei muziekinstrumenten dwars door elkaar, maar gun elk kind dezelfde taal met dezelfde soort materialen. In het samenspel en de interactie met elkaar komt de flow goed op gang en in die flow voel je je vaak erg goed.
Beloningsstofjes
De hoeveelheid prikkels blijft beperkt omdat je samen hetzelfde spel speelt. Er komen allerlei beloningsstofjes vrij in je hersenen waardoor je je nóg fijner voelt. Naderhand ga je merken dat kinderen onderling ook meer contact hebben met elkaar en aardiger en geduldiger met elkaar omgaan doordat ze eerst samen muziek hebben gemaakt. Daarom kun je dit samen muziek maken zien als zowel ontladen als opladen. Ontladen vindt plaats door energie te geven, uitgedaagd te worden en in verbinding te staan met anderen, maar ook door leiderschap te mogen tonen in het samenspel. Opladen vindt plaats door de gezamenlijkheid, herkenning van elkaar, plezier hebben en het fijne gevoel van de beloningsstofjes in je lijf.
Kinderen leven in het moment. Ze voelen intens, puur en direct, maar hebben niet altijd de woorden om te zeggen wat er vanbinnen allemaal gebeurt. Hun innerlijke wereld laat zich vaak zien via gedrag, spel, stiltes of lichamelijke signalen. In een samenleving waarin prikkels, tempo en verwachtingen blijven toenemen, verliezen veel kinderen het contact met dit innerlijk kompas.
Focusing is een proces van met aandacht scherpstellen op wat er zich lichamelijk aandient. Een begeleider die kennis heeft van Focusing en deze toepast in het begeleiden van kinderen biedt een afgestemde en respectvolle manier om kinderen te begeleiden bij het (her)ontdekken van hun innerlijke taal. Niet door te analyseren, te verklaren of te corrigeren, maar door samen naar het kind te luisteren, met aandacht voor en vertrouwen in hun natuurlijke processen. Het is een benadering die ouders en docenten ondersteunt om het kind als een geheel te zien: lichaam, gevoel en denken in onderlinge samenhang.
De oorsprong van Kinder Focusing
Kinder Focusing is gebaseerd op de Focusing-methode van filosoof en psychotherapeut Eugene Gendlin, die ontdekte dat wezenlijke verandering niet ontstaat door alleen te praten of te denken, maar juist ook door aandacht te geven aan wat zich lichamelijk aandient: de ‘Felt Sense’. Dit is een subtiel, vaak nog vaag innerlijk gevoel, dat evengoed richting geeft en betekenis in zich draagt. Vanaf eind jaren tachtig ontwikkelde kinderpsychotherapeut Marta Stapert Focusing specifiek voor kinderen. Zij ontdekte hoe Focusing aansloot bij de natuurlijke taal van kinderen. Inmiddels wordt Kinder Focusing in vele landen en culturen toegepast, zowel individueel als in groepen. Marta Stapert publiceerde in 2023, samen met Erik Verliefde, het boek Focussen met kinderen – De kunst van luisteren, dat geldt als standaardwerk.
Aansluiten bij de taal van het kind
Kinderen focussen anders dan volwassenen. Zij hebben geen lange gesprekken nodig, maar gebruiken spel, beweging, beeld en verbeelding. Kinder Focusing sluit hierop aan. Het nodigt het kind uit om vanbinnen te luisteren, zonder iets te hoeven oplossen of presteren. Een belangrijk uitgangspunt is dat elk kind een innerlijke wijsheid bezit. Wanneer een volwassene veiligheid, openheid en tijd biedt, kan het kind stappen zetten in zijn emotionele ontwikkeling. De rol van de ouder of begeleider is niet om te sturen, maar om aanwezig te zijn en af te stemmen.
Wat maakt Kinder Focusing zo krachtig?
Kinder Focusing werkt niet vanuit probleem- of diagnose-denken, maar vanuit innerlijke afstemming. Het kind leert:
• gevoelens op te merken zonder erin te verdrinken
• lichamelijke signalen te herkennen
• emoties toe te laten zonder oordeel
• vertrouwen te ontwikkelen in de eigen beleving
Deze vaardigheden vormen een belangrijke basis voor emotionele veerkracht en zelfregulatie. In plaats van gevoelens weg te duwen of erdoor overspoeld te raken, leert het kind ermee te zijn en te leven. Voor volwassenen betekent dit een verschuiving: van iets doen met het kind naar samen aanwezig zijn bij wat er is. De basishouding van de volwassenen bestaat uit luisteren in drie richtingen: naar jezelf, naar het kind en naar wat er tussen jullie gebeurt. Een praktijkvoorbeeld:
Noah (14) komt stil en in zichzelf gekeerd binnen. Hij friemelt met een elastiekje om zijn pols. Na een tijdje vraagt hij zacht: ‘Ben jij er morgen ook bij? Bij dat gesprek met mijn ouders op school?’ Ik zeg dat ik erbij ben. Hij kijkt naar beneden en trekt harder aan het elastiekje, dat tegen zijn pols terugspringt. ‘Hmm, het elastiekje raakt je pols nu best hard hè.’ Verbaasd kijkt hij naar zijn rode pols. ‘Ja… ik doe mezelf gewoon pijn.’ ‘Dat zie ik. Je doet jezelf echt pijn.’ ‘Dan voel ik de angst niet.’ ‘Ah… iets in jou wil de angst niet voelen, en er is ook iets dat bang is.’ Hij knikt. ‘Vandaag weer een onvoldoende.
Ik wil echt niet naar een andere school.’ ‘Dat maakt je bang. Je wilt echt niet naar een andere school.’ ‘Is er een plek in je lijf waar je die angst het meest voelt?’ Zonder woorden legt Noah zijn hand op zijn borst. Ik leg ook mijn hand op mijn borstgebied. ‘Voelt het zwaar of drukkend, of nog anders?’ ‘Alsof er een olifant op mijn borst staat.’ ‘Zó zwaar!’ spiegel ik.
De kinderopvang is professioneler geworden en dat heeft een hoop goeds gebracht, zoals meer aandacht voor ontwikkelkansen en een rijke leeromgeving. Tegelijk schuilt daarin het risico dat ontwikkeling iets wordt wat voortdurend gestimuleerd moet worden.
Op mijn crèche in de jaren tachtig aan de Nieuwmarkt in Amsterdam stond een spiegel op tafel waarvoor ik mezelf mocht schminken. Dat werd geen schattig vlindertje dat een crèche-leidster op mijn wang schilderde. Als ik mijn ogen dichtdoe kan ik nog de kwast op mijn huid voelen. Op warme dagen speelde ik buiten met water in de grote tuin. Naakt. De crècheeigenaar had daar een houten brug gebouwd van sloophout, waarin de namen van alle kinderen stonden gekerfd. Trots haalde ik mijn vingers over de letters van mijn naam.
Het was geen anti-autoritaire crèche waar peuters met een hamer en wasco volledig hun eigen dagprogramma samenstelden. De crèche-leiders gaven naast ruimte en liefdevolle aandacht ook grenzen. Er was structuur én veel ruimte voor vrij spel. Geen kleurenklok die zei dat het tijd was voor het volgende ontwikkelingsgerichte aanbod. We mochten ons vrij buiten de kaders van een speelkleedje bevinden.
Hoe nostalgisch ik ook terugkijk, die vrijheid van toen komt niet meer terug. Tegenwoordig hebben kinderen in onze veeleisende, drukke tijd behoefte aan vrije ruimte. ‘Geef me de ruimte, want ik moet al zoveel’, lijken ze met hun onrustige gedrag te zeggen.
Niet alleen het kind is druk
Een drukke dag. Een druk hoofd. Een druk lijf. Een druk kind. We kunnen bijna niet meer zonder het woord druk. Iedereen heeft een volle agenda, kinderen net zo goed. Hun dagen zitten vol met leuke en leerzame activiteiten. Laten we voorzichtig zijn met kinderen ‘druk’ noemen, terwijl hun omgeving en programma nog veel drukker zijn. Moeder Anaia vertelt dat haar dochter Luz (3), sinds ze drie dagen naar de peuteropvang gaat, onrustig thuiskomt. Ze huilt sneller, wordt boos om kleine dingen en wil ineens overal bij geholpen worden. Op haar vrije dag wil Anaia graag met haar naar peuterzwemmen, maar vaak loopt Luz al vast bij het aankleden. Dan gooit ze haar schoenen weg, kruipt op schoot en lijkt met haar hele lijf te zeggen: vandaag even niet. Anaia vraagt zich af of drie dagen peuteropvang, met alle prikkels en het educatieve aanbod, wellicht te veel voor haar is.
Ontwikkeling hoeft niet voortdurend aangejaagd te worden
In alle drukte pleit ik voor een kinderopvang en bso die bovenal een veilige haven bieden waar kinderen tot spel én rust kunnen komen. Meer is niet altijd beter. Een peuter die met een ander kind onderhandelt over de rode schep, oefent waarschijnlijk al behoorlijk wat burgerschap. Een term waar beleidmakers prat op gaan. Speelse avonturen ontstaan lang niet altijd uit een creatieve opdracht die volwassenen hebben bedacht en netjes in het pedagogisch plan past. Kinderen gaan vaak pas echt op avontuur wanneer volwassenen niet bovenop hun spel zitten. Laatst keek ik bewonderend toe bij Ravi, een jonge kleuter op de bso. Hij dwarrelde wat door de groep, keek hier, speelde daar en trok weer verder. Lisa, zijn mentor, keek van een afstandje naar zijn verkenningstocht. ‘Ik verwacht nu nog weinig van hem, als hij de tijd en ruimte krijgt zal hij vanzelf landen.’ Mooi dat vertrouwen.
Wanneer we kinderen met veel tegelijk aan tafel zetten, verwachten we eigenlijk dat zij iets doen wat voor hen nog helemaal niet vanzelfsprekend is: eten én tegelijkertijd omgaan met alle prikkels van andere kinderen.
‘De kinderen zijn de laatste tijd wel erg druk aan tafel.’ Het is een opmerking die ik geregeld hoor wanneer ik op locaties kom. Er wordt gewiebeld op stoelen, kinderen staan op voordat ze klaar zijn, slaan om zich heen, pakken elkaars eten af, gooien met bestek of weigeren te eten. Vaak wordt er vervolgens gekeken naar het gedrag van het kind.
Steeds vaker vraag ik me af of we naar het verkeerde kijken. Want wat als die onrust aan tafel niet het probleem is? Wat als het gedrag dat we zien een logisch gevolg is van hoe we eetmomenten hebben ingericht?
Eten is een leerproces
Opvallend genoeg word ik zelden gevraagd om mee te kijken tijdens eetmomenten. Wanneer er zorgen zijn over gedrag, gebeurt dat meestal tijdens het spelen. Dan wijst iemand naar een kind en zegt: ‘Zie je wel, dit bedoel ik.’ Maar juist tijdens eetmomenten zie ik vaak situaties waarvan ik denk: hoe zijn we dit eigenlijk normaal gaan vinden?
Wij volwassenen zien eten vaak als een sociale aangelegenheid. We zitten met elkaar aan tafel, praten, lachen en delen verhalen. Voor ons voelt dat heel vanzelfsprekend. Voor jonge kinderen is eten echter nog helemaal geen sociale activiteit. Voor hen is eten in de eerste plaats een leerproces. En dat leerproces is behoorlijk complex. Een kind moet leren hoe het een lepel vasthoudt. Hoe het eten op de lepel krijgt. Hoe het de lepel naar de mond brengt zonder dat alles er weer afvalt. En tegelijkertijd zijn lichaam, dat nog volop oefent met zelfstandig zitten, in balans houden. Het moet leren kauwen, slikken en tegelijkertijd voelen: heb ik nog honger of zit ik eigenlijk al vol? Al deze dingen vragen concentratie.
Tegelijkertijd wordt er gepraat, gelachen, geroepen, eten valt op de grond, kinderen kijken naar elkaar en reageren op elkaar. Voor veel jonge kinderen is dat simpelweg te veel afleiding. We maken het eetmoment dus al sociaal, terwijl een kind de basisvaardigheden van eten nog volop aan het ontwikkelen is. Basisvaardigheden waarvoor in veel gevallen nog individuele hulp nodig is.
De babygroep
Pim zit aan tafel en heeft zichtbaar trek. Tot nu toe is hij vooral gewend aan gepureerde voeding, maar hij oefent nu steeds vaker met stukjes. Zijn fijne motoriek is nog volop in ontwikkeling. Het kost hem ontzettend veel moeite en concentratie om het stukje eten dat voor hem ligt met zijn vingers op te pakken en in zijn mond te krijgen. Je ziet dat hij graag wil eten. Zijn hele lijf beweegt, maar het lukt hem niet snel genoeg. Na een tijdje raakt Pim gefrustreerd en slaat hij zijn beker van tafel. Waarom slaat Pim zijn beker van tafel?
Niet omdat hij lastig wil zijn. Maar omdat hij trek heeft en het eten niet snel genoeg naar binnen krijgt. Zolang een kind veel trek heeft en de vaardigheden nog niet heeft om in het juiste tempo zijn maaltijd te eten, heeft het nog individuele aandacht en begeleiding nodig. Niet omdat het dit niet zelf kan leren, maar omdat het kind het nu nog niet alleen kan. Leren eten is niet alleen een kwestie van trek hebben. Het is ook een proces van motorische ontwikkeling, oefenen en ervaring opdoen.
6 - En nu ga je even rustig zitten
48 - Even opladen en ontladen door spontaan en gezamenlijk muzikaal spel
46 - Het eetmoment als blinde vlek in de kinderopvang
66 - Hoe komen de appels in de boom?
78 - Vijf jongens met ADHD op de voorschool
88 - Meer regels minder kwaliteit
En verder:
11 - Van rennen naar landen
14 - Muziekcolumn: Fietsen en fietsen
16 - Prikkelverwerking
19 - Bekijk de kansen en verlaag de werkdruk
22 - Rustpuntjes in je groep
28 - Tussen haast en verbinding
31 - Voetsporen in de drukte
38 - Okiddo 4-12 jaar: Podcast maken
42 - Yoga voor jonge kinderen
51 - De kracht van improvisatietheater
54 - Als iedereen iets van je wil
60 - Focusing met kinderen
70 - Rekenen als race
74 - Bewegen op de bso
82 - Breng rust in je groep met crebelen
84 - Media op de groep
90 - Geef kinderen ruimte
94 - Spelen als het druk is
Een tablet op de groep, ouders met uitgesproken schermregels en kinderen die opgroeien met games en vloggers: digitale media zijn niet meer weg te denken uit de kinderopvang. Voor pedagogisch professionals voelt dat soms als extra werkdruk, maar volgens Anneke van Soest, specialist mediaopvoeding bij Anno Nu Mediacoaching, liggen er juist volop kansen.
Anneke ondersteunt kinderopvangorganisaties bij het vormen van visie en beleid rondom digitale media. In dit artikel legt ze uit hoe je media bewust en met toegevoegde waarde inzet op de groep, waarom je daarvoor niet alles zelf hoeft uit te vinden en hoe je morgen al klein kunt beginnen.
Digitale media zorgen óók voor druk
Ik snap zeker dat de online wereld voor pedagogisch professionals soms extra druk met zich meebrengt. Digitale media brengen nieuwe mogelijkheden met zich mee, maar ook nieuwe vragen en verwachtingen. Ook ouders hebben steeds vaker vragen, schermregels of wensen. De meeste ouders waarderen leuke kiekjes van hun kind en een pedagogisch verslag aan het einde van de dag. Tegelijkertijd is er ook een groeiende groep bewuste ouders die kritisch is op het gebruik van schermmedia tijdens de opvang.
Niet iedere organisatie heeft al een klip-en-klaar antwoord daarop. Dat vraagt om kennis en daadkracht van pedagogisch professionals, maar zeker ook om visie en beleid vanuit de organisatie. Neem bijvoorbeeld een ouder die laat weten dat het kind tijdens de opvang absoluut niet met schermen in aanraking mag komen. Hoe ga je daarmee om?
Dat kan best veel druk geven. Vaak zie je dat professionals zich óf echt verdiepen in de mogelijkheden, óf digitale media juist helemaal vermijden. Feit blijft dat digitale media een blijvende plek hebben in onze wereld. De kinderen van nu zijn de meest technologisch onderlegde generatie tot nu toe. Zij verdienen daarin duiding, begeleiding, ontwikkelkansen én bescherming. De kinderopvang kan hierin een prachtige voorbeeldrol pakken. Om ouders én kinderen te laten ervaren hoe het ook verantwoord kan. Dat media, vanuit verbinding en vertrouwen, iets kunnen toevoegen. Daar geloof ik echt in.
Media zijn zoveel meer dan schermen
Voor verschillende leeftijdsgroepen zijn er verschillende kansen. Daarom is het waardevol om een doorlopende medialijn uit te werken. Zo is schermmedia onder de twee jaar nog niet aan de orde en kun je media langzaamaan toevoegen naarmate kinderen daaraan toe zijn. Vaak wordt bij media gedacht aan gedachteloos filmpjes kijken. Dat komt volgens mij omdat de alternatieven nog te weinig bekend zijn. Er is inmiddels veel meer: prentenboeken via media, luistermedia, educatieve televisie en steeds meer educatief spelmateriaal. Wat dacht je van kartonnen creaties maken met een Beaverbot, een treinbaan uitbreiden met een Intelino-set, een interactief groepsspel als Picoo waarbij je volop beweegt, stopmotions maken met een greenscreenbox, een parcours bouwen voor een buitenrobot of zelf een podcast opnemen? Media zijn zoveel meer dan schermen. Het gaat erom wát je met media doet, hóe je dat doet en waaróm je het inzet. Dat vraagt natuurlijk om kennis van materialen en inhoud. Daarom hoeft ook niet iedereen morgen alles te weten of te kunnen.
Professionalisering in de kinderopvang is ontzettend belangrijk. Maar in de praktijk stapelen cursussen, kwalificatie-eisen en verantwoordingssystemen zich op tot een last die de professional uitput in plaats van versterkt. We willen het beter maken, maar maken het zwaarder.
We kennen haar allemaal. De pedagogisch professional die vanuit haar natuur precies doet wat ze moet doen. Die kinderen ziet, aanvoelt en begrijpt. Die zich jarenlang heeft bijgeschoold, herkansingen heeft gedaan en uiteindelijk toch is uitgestroomd. Niet omdat ze slechter was geworden in haar werk, maar omdat ze niet voldeed aan een gestandaardiseerde toets.
Waar het werkelijk om gaat
En de druk ligt niet alleen bij haar. Ook als organisatie zijn we massaal aan de slag gegaan met het voldoen aan nieuwe eisen. Uren besteed aan het herbeoordelen van diploma’s, overleggen met opleidingsinstituten en administratieve rompslomp. Tijd die we niet hebben besteed aan waar het werkelijk om gaat: de kwaliteit van de kinderopvang.
Begrijp me niet verkeerd. De professionalisering van de sector is nodig en ik onderstreep de ambitie om als kinderopvang gelijkwaardig te zijn aan het onderwijs. We dragen bij aan de ontwikkeling van kinderen, en dat juist tijdens de meest kritieke periode van hun leven: de eerste vier jaar. Maar de manier waarop we professionaliseren klopt niet. Te veel verplicht, te weinig betekenisvol en onvoldoende aansluitend bij de dagelijkse praktijk van een MBOprofessional in een drukke groep.
Aanwezigheid en afwezigheid tegelijk
En het wordt nog ingewikkelder. Want de eisen spreken elkaar ook tegen. Neem de Wet IKK, die de taaleis, beroepskracht-kindratio, het beroepskracht-kindratio stelt: er moeten voldoende handen op de groep zijn. Maar diezelfde wet legt zoveel scholings- en administratieverplichtingen op dat professionals structureel tijd kwijt zijn buiten de groep. Je verplicht aanwezigheid en afwezigheid tegelijk.
Daarnaast zijn er verplichte bijscholingen, risico-inventarisaties én coaching op de werkvloer. Die coaching is op zich een goed idee, leren vanuit de dagelijkse praktijk, dicht bij de kinderen. Maar als coaching een verplicht vinkje wordt, verliest het precies de kracht die het zou moeten hebben.
Heb je het druk? Zijn de kinderen druk? Even zingen en bewegen is altijd een goed idee! Juist wanneer je het gevoel hebt dat er geen tijd voor is. In dit liedje wordt de spanning eerst opgebouwd, maar eindigt het in ontspanning.
Met een kleine knipoog zou je kunnen zeggen dat dit lied ook nog op een andere manier over ‘druk’ gaat; de luchtdruk in een fietsband! Zorg ervoor dat je voor deze activiteit genoeg beweegruimte hebt, ga naar de speel- of gymzaal of naar buiten. Je hebt ook wat muziekinstrumenten nodig.
Band oppompen
Vertel dat jullie een liedje gaan zingen over een fiets met een lekke band. Maar eerst moeten de banden opgepompt worden. Jij doet voor hoe je met een fictieve pomp lucht in een fietsband pompt: ‘Ff, ff, fffffff.’ De kinderen doen jou na. Varieer in je voorbeeld met verschillende lange en korte f-klanken en wissel ook af met s- en sh- klanken. Dit is een goede opwarming van de ademhalingsspieren voor het zingen later en geeft tegelijkertijd een fijne focus op de ademhaling, zeker als je ook aandacht besteedt aan een lange, diepe inademing vooraf. Geef daarbij een paar kinderen de voorbeeldrol.
Rondfietsen
Zing het lied een keer of laat het horen en vraag de kinderen daarbij om rond te fietsen. Ze hebben zogenaamd een stuur vast en maken fietsbewegingen door tijdens het lopen hun knieën hoog op te tillen. Vraag ze om goed te luisteren naar het tempo van het lied. Gaat het lied langzaam, dan fietsen ze langzaam. Gaat het snel, dan fietsen ze snel. De uitdaging daarbij zit hem erin dat het lied op een gemiddeld tempo begint. Het tweede gedeelte begint langzaam en gaat dan steeds sneller en eindigt met een plotselinge stop en het geluid van de leeglopende band. Daarbij mogen ze op een s-klank helemaal slap vooroverbuigen, of eventueel zelfs op de grond gaan liggen.
Bellen
Misschien heb je Montessori- of andere bellen tot je beschikking. Ander kun je triangels gebruiken of misschien zelfs echte fietsbellen. Geef een paar kinderen deze instrumenten en laat het lied nog een keer horen. Steeds als het woord ‘fietsen’ of ‘fiets’ klinkt, spelen deze kinderen één keer op hun bel. In het begin zullen ze dit steeds na de betreffende woorden doen, dus in reactie daarop. Nodig ze uit om na verloop van tijd te proberen om te bellen precies óp het moment dat ‘fiets’ of ‘fietsen’ klinkt. Hoe vaker ze het liedje horen hoe beter dit zal gaan. Ondersteun dit eventueel met handgebaren die deze momenten aankondigen.
Verder fietsen
Door bovenstaande spelvormen zullen de kinderen het lied al snel goeddeels kunnen meezingen. Je kunt de kinderen ook nog ritme-instrumenten geven en vragen om daarmee het tempo van het lied te volgen, net zoals eerder bij het bewegen. Als je het lied live zingt en begeleidt op gitaar of ukelele (of bijvoorbeeld met een handtrommel) kun je nog meer variëren met het tempo. Wissel elke herhaling van het lied af met het pomp-spel van het begin. Wil je nog meer muziek in het thema ‘fiets’? Zing dan ook Jeroen Schippers Papa Gaai ging fietsen, Met papa op de fiets van Ageeth de Haan of de spreek-canon Op de fiets uit muziekmethode 123ZING
Binnen SDK Kinderopvang werken alle bso-groepen met de thema’s van BSO in Bloei. Deze thema’s sluiten aan bij de belevingswereld van kinderen en bieden volop ruimte voor ontdekken, ontwikkelen en plezier maken.
Op dit moment staat het thema Mega Media centraal. Tijdens deze activiteit stappen kinderen in de rol van mediamaker en gaan ze aan de slag met het maken van een eigen podcast. Van het bedenken van een onderwerp tot het opnemen van gesprekken en verhalen, alles komt aan bod. Een inspirerende activiteit waarin samenwerking, mediawijsheid, taalontwikkeling en creativiteit samenkomen.
Klaar voor de podcast
Wanneer de kinderen uit school komen, lopen Noah, Louise en Florien enthousiast naar pedagogisch professional Abby toe. ‘Vandaag gaan we toch de podcast opnemen?’ vraagt Florien. Abby lacht en antwoordt: ‘Ja, zeker! Maar eerst ben ik benieuwd, hoe was jullie dag op school?’
‘Leuk’, zegt Florien, ‘maar ik heb al de hele middag zin om de podcast op te nemen!’
‘Laten we dan maar snel beginnen’, zegt pedagogisch professional Sanne.
Samen zoeken ze vervolgens een rustig plekje uit waar de voorbereidingen voor de podcast kunnen beginnen. ‘Wie heeft er weleens van een podcast gehoord?’ vraagt Sanne aan de kinderen.
Florien begint enthousiast te vertellen: ‘Dat is iets waarin je allemaal dingen kan vertellen en liedjes zingt.’ ‘Dat kan zeker een podcast zijn’, antwoordt Sanne glimlachend. ‘En Louise, wat is een podcast volgens jou?’
Louise denkt even na en zegt: ‘Voor mij is een podcast iets waarin je over dingen praat, vragen stelt en leuke weetjes vertelt over een bepaald onderwerp. En ook een beetje muziek.’
Sanne legt uit dat een podcast eigenlijk van alles kan zijn. Je kunt praten over onderwerpen die je leuk vindt of over alledaagse dingen. Je kunt een verhaal vertellen of zelfs een verzonnen verhaal maken. ‘Heb jij weleens een podcast geluisterd Noah?’
Noah schudt zijn hoofd en zegt: ‘Nee, eigenlijk niet.’
‘Ken jij Freek Vonk?’ vraagt Sanne.
Noah knikt direct instemmend.
‘Freek Vonk heeft ook een eigen podcast’, vertelt Sanne.
Noahs ogen beginnen te stralen. ‘Dat zal vast over dieren gaan’, roept hij. ‘Ik zou het ook heel leuk vinden om onze podcast over dieren te maken!’
De kinderen reageren enthousiast op Noah’s idee en beginnen meteen allerlei dieren te noemen waarover zij meer zouden willen vertellen.
Onze podcast krijgt vorm
‘We bedenken welke onderwerpen we willen bespreken, maar ook wie wat gaat doen’, legt Sanne aan de kinderen uit. Ze pakken een blad erbij en gaan de rolverdeling maken.
Florien zegt: ‘Wat als we alle drie een eigen onderwerp kiezen en dat matchen tot één podcast?’
‘Wat een goed idee’, reageert Abby enthousiast.
Florien wil het graag hebben over de allerleukste grapjes. Louise kan heel lang praten over films en televisie. Noah kiest voor ruimte en dieren. ‘We kunnen ook een grappige film bespreken, die over de ruimte gaat’, zegt Florien. ‘Dan zijn we in één keer klaar.’
‘Ja, met ruimtedieren!’ grapt Noah terug. Ze schieten allemaal in de lach om de fantasierijke ideeën. ‘Ik heb een grappig raadsel in mijn hoofd’, zegt Florien. ‘Ik heb thuis een boek met wel 900 raadsels.’
‘En weet je ze allemaal uit je hoofd?’ vraagt Sanne.
Soms loopt het op de groep vast zonder dat je precies begrijpt waarom. Gedrag van sommige kinderen lijkt ineens te escaleren, hun overprikkeling neemt toe. Dan helpt het om anders te leren kijken naar het kind achter het gedrag, de invloed van prikkels en wat een kind nodig heeft om tot rust, ontwikkeling en verbinding te komen.
Het is halverwege de ochtend en nog voor je echt bewust kijkt, voel je het al in de ruimte, alsof er iets verschuift wat je niet meteen kunt benoemen maar wel direct herkent. Stoelen die schuiven, kinderen die door elkaar bewegen, een stem die net iets harder klinkt dan nodig is en ergens iets dat op de grond valt; het zijn losse momenten die samen iets vormen wat je niet kunt negeren: het wordt onrustig.
En vaak zeggen we dan: ‘Ze zijn vandaag echt druk.’ Maar als je iets langer erbij stilstaat, merk je misschien dat het niet alleen gaat over drukte, maar over hoe alles tegelijk binnenkomt en hoeveel een kind op zo’n moment eigenlijk moet verwerken voordat het nog kan spelen, luisteren of schakelen.
Intens en overweldigend
In een groep gebeurt namelijk voortdurend iets. Geluiden lopen door elkaar heen, kinderen bewegen langs elkaar heen, materialen zijn zichtbaar aanwezig, er wordt iets van je verwacht en intussen gaat de dag gewoon door. Voor veel kinderen is dat precies wat ze nodig hebben om te spelen, te ontdekken en te leren. Maar voor een andere groep kinderen is datzelfde juist heel intens en soms zelfs overweldigend. Soms zie je een kind dat blijft rondlopen en moeilijk tot spel komt, soms zie je een kind dat steeds harder gaat praten of sneller reageert dan je verwacht, en soms zie je juist een kind dat stiller wordt, zich terugtrekt of ineens boos reageert op iets kleins.
We geven daar vaak woorden aan als druk, onrustig of lastig gedrag, maar als je er even langer naar kijkt, voel je ook dat deze woorden niet altijd de lading dekken. Want wat als dit gedrag geen probleem is dat opgelost moet worden, maar een signaal dat er iets niet past bij wat een kind op dat moment aankan?
Ruimte om te schakelen
Wat daaronder ligt, heeft alles te maken met hoe kinderen prikkels verwerken, en dat is iets wat de hele dag door gebeurt zonder dat een kind daarover bewust nadenkt. Sensorische informatieverwerking betekent dat alles wat een kind ziet, hoort, voelt en ervaart binnenkomt, wordt verwerkt en een plek moet krijgen, zodat er ruimte overblijft om te spelen, contact te maken en te reageren op wat de omgeving vraagt. De beweging van een ander kind vlak naast je, het geluid van stemmen, het gevoel van kleding of de overgang van vrij spel naar een gezamenlijke activiteit; het zijn allemaal prikkels die tegelijk binnenkomen en samen bepalen hoe een kind zich voelt en wat het kan laten zien.
Voor het ene kind verloopt dat proces vrij soepel, waardoor prikkels als het ware blijven doorstromen en er voldoende ruimte blijft om flexibel te reageren. Voor een ander kind verloopt dat minder vanzelfsprekend, omdat prikkels sneller binnenkomen, heftiger worden ervaren of minder goed worden gefilterd, waardoor het systeem voller raakt en er minder ruimte overblijft om nog te kunnen schakelen. En precies daar ontstaat gedrag, niet als bewuste keuze, maar als reactie van een lijf en een brein dat probeert om te gaan met wat er binnenkomt.
Kinderen op niveau laten rekenen is een flinke uitdaging. De cijfers van de onderwijsinspectie liegen er niet om: slechts een op de drie basisschoolkinderen haalt het gewenste streefniveau voor rekenen. Bart-Willem van Huizum uit Zutphen besloot dat het tijd was voor een speelse oplossing.
Geïnspireerd door een droom waarin hij dit spel voor zich zag, trok hij de stoute schoenen aan en bracht zijn droom tot leven. Het resultaat is Math Masters, een kleurrijk bordspel dat inmiddels in elf talen en zeven landen is verschenen. Maar werkt een educatief rekenspel wel in de praktijk van de buitenschoolse opvang (bso), waar vrije tijd en ontspanning centraal staan? Pedagogisch professionals van Stichting KinderRijk in Amstelveen namen de proef op de som en testten het spel met kinderen in de leeftijd van 7 tot 12 jaar.
Universum vol zwevende getallen
Het idee voor Math Masters ontstond op vakantie in Boedapest. Na een droom over cirkels met getallen waar je al rekenend doorheen ging, begon hij met ontwerpen. Thuis rolden de eerste A4’tjes uit de printer om het speelbord te vormen, gecombineerd met pionnen uit een oude doos Mens-erger-je-niet. Na een intensieve periode van testen, onder andere in klaslokalen met zijn eigen kinderen Morris en Luca (naar wie ook twee van de spelfiguren zijn vernoemd), lag er een volwaardig spel.
Het dubbelzijdige bord oogt magisch en nodigt uit tot ontdekking; het is een universum vol zwevende getallen waarin spelers zelfs geteleporteerd kunnen worden. Het spelontwerp koppelt uitdagende rekenvaardigheden aan een competitieve dynamiek, waardoor er een natuurlijke vorm van ‘spelenderwijs leren’ ontstaat. Wie aan de beurt is, pakt een kaartje met een som. De uitkomst bepaalt de nieuwe positie op het bord. Om het spel toegankelijk te houden voor verschillende leeftijden, kent het twee niveaus. De makkelijke kant focust op plus- en minsommen, terwijl de andere kant ook vermenigvuldigen en delen introduceert. Volgens Van Huizum onderscheidt Math Masters zich van andere rekenspellen omdat de focus ligt op de race om te winnen, waardoor kinderen gaandeweg vergeten dat ze eigenlijk aan het rekenen zijn.
Wisselende reacties
Om te kijken of die magie ook overslaat naar de bso, speelden verschillende groepen het spel. De ontvangst door de pedagogisch professionals en de kinderen liet een even wisselend als interessant beeld zien.
Op de eerste testlocatie, waar werd gespeeld met kinderen van 8 en 10 jaar, reageerden de kinderen enorm enthousiast. Hoewel het opstarten en het doorgronden van de spelregels in de eerste tien minuten wat voeten in de aarde had, verliep het spel daarna soepel. De pedagogisch medewerker merkte op dat het spel uitstekend paste binnen de bso-setting omdat het naast rekenen ook de sociale interactie en het teamwork stimuleerde. De kinderen hielpen elkaar actief bij het oplossen van de sommen, waardoor het leerelement niet aanvoelde als schoolwerk. De kinderen gaven na afloop aan de poppetjes en de dobbelsteen erg leuk te vinden en wilden het spel zeker nog een keer spelen.
We zien het steeds meer: kinderen die veel prikkels ervaren, druk gedrag vertonen of soms jonger gedrag vertonen. Sensopathisch spel - zintuiglijk spel zonder doel en met materialen zonder vaste vorm - kan voor kinderen bijzonder rustgevend zijn.
Prikkels kunnen allerlei zintuigelijke prikkels zijn, waarmee kinderen in aanraking komen: auditief (veel geluiden om zich heen), zintuigelijk (zoals beeldschermen) en tactiel (zo zijn er kinderen die een label in hun onderbroek of T-shirt al irritant vinden, en kinderen die moeite hebben met klei, scheerschuim of zand). Geur kan ook een prikkel zijn, of smaak/mondgevoel. Al die zintuiglijke prikkels noemen we ook wel sensopathische prikkels.
Fijne motoriek meer stimuleren
In mijn boek Aandacht voor de fijne motoriek in kleuterthema’s vind je materialen en activiteiten die je als professional binnen je thema kunt aanbieden en hoe je sensopathisch spel kunt integreren binnen je aanbod. Hoe kun je dit boek dan ‘vertalen’ naar de peutergroepen en de bso? Mijn uitgangspunt bij het schrijven van het boek was om mijn liefde voor het jonge kind te combineren met het onderwerp ‘fijne motoriek en sensopathisch spel’. We zien tegenwoordig helaas steeds meer kinderen waarbij de fijne motoriek te weinig wordt gestimuleerd door te weinig buitenspel, te weinig zandbak- of klei-aanbod, en helaas al op jonge leeftijd te veel schermgebruik.
Aanbod gericht op het proces
Probeer bij sensopathisch spel allerlei materialen en activiteiten in je groep aan te bieden, die een open einde hebben of gericht zijn op ontspanning of op proces in plaats van (eind)product of resultaat. De maatschappij is enorm gericht op resultaat en prestaties, terwijl we meer zouden mogen stilstaan bij het proces en de ontwikkeling.
Geef kinderen de tijd!
Die materialen en activiteiten zijn bijvoorbeeld sensopathisch spel. En dat kan van alles zijn wat je met zintuigen ervaart, dus niet alleen voelen (tactiel), maar ook een snoezelruimte met zachte stoffen en geluiden. Vaak richten we ons op de sensomotorische bakken, en dat is goed voor meerdere ontwikkelingsgebieden, maar je kunt ook denken aan zachte stoffen, klassieke muziek, spelen met geur en smaak. Het sensorische staat aan de basis van alles wat erna komt. Dit begint eigenlijk al bij baby’s, bij het eerste fruithapje, een broodkorst in hun vuist en afhappen, een draaiende mobiel met geluidjes, voelen van verschillende materialen, luisteren naar herkenbare stemmen. Doordat we nu kinderen in de groep hebben die in een drukke wereld leven met veel prikkels, is het belangrijk dat we teruggaan naar die basis om vervolgens het ontwikkelproces weer rustiger op te pakken.
Wij merken als volwassenen ook hoe fijn het is om een strand- of boswandeling te maken en wat dit met je doet. Dit merken kinderen dus ook. Bepaalde klassieke of andere rustige muziek kan ook helpen om even tot rust te komen.
Grijpen, voelen, kneden, ontspannen
Omdat er bij sensopathisch spel geen eindproduct of resultaat vaststaat, kun je hierover met kinderen in gesprek gaan en de behoefte verkennen. Het ene kind houdt van een bak met grind, stro en dieren. Het andere van een maïzena-papje met cacao en water, wat modder moet voorstellen om de dieren (of auto’s) erna in een andere bak met zeepsop, lauw water en een sponsje schoon te schrobben. Weer een ander kind houdt alleen van droge korrels en wordt daar rustig van als hij het door zijn handen laat sijpelen. Sommige kinderen krijg je niet uit de zandbak of bouwhoek die kennelijk ook voldoet aan een behoefte en interesse.
Hangen op een zitkussen met een koptelefoon luisteren naar de golvende zee, kan enorm rustgevend zijn. Maar ook een wandeling rondom de locatie maken onder begeleiding of even op de trampoline om erna weer de groep in te kunnen is top. Knip eens wat lavendel af en doe het door je zandtafel; dat zorgt alweer voor een andere (geur)ervaring.
Sowieso kun je wekelijks allerlei sensopathische materialen aanbieden en proberen dit gedurende het jaar af te wisselen. We kennen allemaal wel die aangekoekte bak met zandbakspulletjes. Weg ermee! Als je doet wat je deed dan krijg je wat je kreeg. Wissel af per seizoen en thema. Met een kleine aanpassing kun je de bak met gekleurde rijst of modder bijvoorbeeld de ene keer gebruiken met auto’s of graafmachines en de andere keer met wilde dieren. Neem de ouders ook mee in het sensopathisch spel. Zorg bijvoorbeeld voor een ouderbijeenkomst, zodat ze het belang van voelmaterialen leren inzien. Laat ouders ervaren wat die materialen, zoals scheerschuim, klei, vingerverf, bij hen teweegbrengen en waarom wij dit als professionals zo belangrijk vinden.
Druk gedrag op de groep vraagt veel van pedagogisch professionals. Maar wat als we anders leren kijken naar spel en spelontwikkeling? Door beter te begrijpen wat kinderen in hun spel laten zien, ontstaat meer rust, verdieping en plezier. Kennis van spel en spelbegeleiding is een voorwaarde om de ontwikkeling van kinderen goed te begeleiden.
Sander (ruim 3 jaar) wil met blokken spelen, hij rent naar de hoek met blokken en kiept een kist met blokken om. Een doos met dieren en hekken wordt ook ondersteboven gegooid en Sander gaat ertussenin zitten. Hij rommelt wat met zijn handen door het materiaal, het maakt een leuk geluid dus hij doet het nog wat sneller. Een pedagogisch professional voelt de onrust en gaat naast hem zitten en doet voor hoe Sander een toren kan bouwen. Sander helpt mee en zodra er vijf blokken op elkaar staan gooit hij die om. Leuk! Dus nog een keer, steeds een beetje hoger.
Hij lacht en roept door de ruimte: ‘Kijk eens’! Hij geniet. Sander is een spontane jongen maar ook beweeglijk, impulsief en ietwat druk. Wanneer we met een helikopterview naar deze situatie kijken kunnen we deze vanuit meerdere perspectieven benaderen: vanuit Sander en vanuit Anne, de pedagogisch professional die veel drukte ervaart in de groep en druk is in haar hoofd, en tot slot vanuit Emma, de pedagogisch professional die zich richt op de groep van vijftien kinderen en beschikt over kennis van de spelontwikkeling.
Oh daar gaan we weer
Sander is ruim drie jaar en heeft een hoop energie, hij wil graag de omgeving ontdekken en voelt zich uitgedaagd door wat hij in zijn omgeving tegenkomt. Hij is van nature enthousiast, nieuwsgierig en impulsief. Hij praat vrij over zijn ervaringen en voegt zich makkelijk in de groep. Hij is snel, laat zich op ideeën brengen door de medewerkers of andere kinderen, het aanwezige materiaal inspireert hem en daagt hem uit waarvan hij dankbaar gebruik maakt. Hij laat graag zien wat hij heeft ontdekt en deelt zijn enthousiasme. Zijn energie kan niet op en hij heeft plezier!
Pedagogisch professional Anne voelt zich verantwoordelijk voor het reilen en zeilen binnen de kinderopvang, ze heeft belangrijke taken zoals plannen, collega’s coachen, het regelen van oudergesprekken, ouders op de hoogte houden van de gebeurtenissen op de groep, beleidstaken, visie ontwikkelen en de groep draaiend houden. Voor de neventaken heeft ze geen extra uren, dus haar werktijden lopen gelijk aan de tijd dat de kinderen aanwezig zijn.
Anne ziet Sander binnenkomen en denkt al, oh daar gaan we weer, druk! Ze probeert dit niet te laten merken aan Sander, want hij is zoals hij is. Gewoon druk en leuk, maar toch ‘poeh’. Ze gaat samen met hem op de mat zitten en probeert zijn aandacht te richten door een toren te bouwen. Sander pikt het meteen op, maar voordat ze het beseft gooit hij de toren om: oh ja, dat had ik kunnen bedenken. Ze zucht een beetje vanbinnen, maar omdat Sander zo’n plezier heeft laat ze hem begaan. Maar echt samen plezier maken kan ze niet opbrengen, haar hoofd zit daarvoor te vol.
Samen torens bouwen en omgooien
Pedagogisch professional Emma beschikt over kennis van spelontwikkeling en spelgedrag, zij kan zich helemaal richten op de groep. Ze ziet Sander binnenkomen en denkt: oh ja, daar is hij weer, wat een vrolijk kind. Hij lacht al voordat hij echt ergens mee bezig is. Emma is nieuwsgierig, ze gaat eens kijken wat hij ontdekt. Oh, hij gooit met de blokken, dat maakt wel herrie, maar het klinkt ook spannend. Ze kijkt bewust naar het spel en ziet spel in de lichamelijke wereld, in dat geval is het logisch dat hij op zoek is naar geluid want de zintuigen spelen een grote rol. Ze wil onderzoeken of hij ook in de hanteerbare wereld kan spelen, net een stapje verder, want gezien zijn leeftijd zou hij dat zeker moeten kunnen. Zij bouwt een toren naast hem, om te kijken of hij zich uitgedaagd voelt.
In de kinderopvang heb je als pedagogisch professional dagelijks contact met ouders die haast lijken te hebben. Van opvang snel door naar het werk, bijna te laat voor het eerste overleg, dwars door de files naar huis aan het einde van een drukke dag, kinderen ophalen, eten koken, naar de sportclub, waarbij ‘geen tijd’ en ‘druk’ veelgehoorde woorden zijn.
Het is 6:50 uur, een ouder zit al in de auto voor de deur te wachten. Zodra je de deur opent wordt een kind snel naar binnen gebracht en met een ‘alles goed’ is de ouder alweer verdwenen voordat je goed en wel goedemorgen hebt kunnen zeggen. Herkenbaar?
Ander perspectief
Het woord druk zorgt voor negatieve associaties. Dus we praten over drukke ouders, maar wat doet dat dan met ons? We gaan ook negatiever denken. Een belangrijke vraag is: hoe blijf je in verbinding zonder onder druk te komen staan?
Misschien begint het met kijken vanuit een ander perspectief. Niet: de huidige ouders hebben geen tijd meer voor hun kinderen! Maar wel: hoe kijk ík naar ouders. Je kunt hier namelijk vanuit verschillende perspectieven (brillen) naar kijken.
Eerste bril: invullen
In de kinderopvang zijn we soms geneigd om dingen snel in te vullen voor een ander: alle ouders zijn tegenwoordig druk en gehaast. Een ouder die een kind snel binnen afzet: druk. Een ouder die niet reageert op nieuwsbrieven en vragen? Niet betrokken. Maar deze invulling geeft ook ruimte voor de nodige ruis in de communicatie. Professioneel kijken betekent namelijk dat je juist geen aannames doet. Daarom laat ik je graag kennismaken met ANNA (Altijd Navragen, Nooit Aannemen). Anna is echt een fijne meid! Ze zorgt er namelijk voor dat je vragen gaat stellen aan ouders.
De ouder die gehaast lijkt te zijn, kan bijvoorbeeld gespannen zijn vanwege een situatie thuis. De ouder die weinig contact maakt, voelt zich misschien onzeker. En ja inderdaad: een ouder kan ook een agenda hebben die overloopt. Daar kom je echter pas achter wanneer je de vraag stelt. Niet invullen, maar professioneel nieuwsgierig zijn naar de ander. Jezelf echt afvragen: wat zou hier aan de hand zijn? En: wat weet ik van deze ouder en wat ook niet? Het is maar een klein verschil in houding, maar maakt echt een groot verschil in het contact.
In plaats van te zeggen: ‘Je hebt het zeker druk’ of er nog half rennend achteraanlopen omdat je toch nog even iets wil overleggen, kun je misschien beter zeggen: ‘Ik merk dat er weinig tijd is voor een overdracht, wat vind jij prettig in het contact?’ Dat klinkt klein, maar opent de deur naar samenwerking. Want laten we eerlijk zijn: veel ouders hébben het ook echt druk.
Het gezinsleven is voor veel ouders een baan op zich. Je moet werken, opvang regelen voor de kinderen, (samen) sporten en een leuke partner zijn. Daarnaast nog een sociaal leven onderhouden en misschien ben je ook nog mantelzorger. Dat zou voor iedereen ingewikkeld zijn, laat staan wanneer er ook nog sprake is van serieuze problematiek, zoals armoede enz. Daar tussendoor moet je ook nog aanwezig zijn als ouder, omgaan met sociale druk en verwachtingen, 10 minuten-gesprekken voeren, afspraken maken met huisartsen, tandartsen en wie weet is er ook nog een andere vorm van hulpverlening betrokken. Ga er dan maar aan staan, ouder zijn ís ook echt niet altijd makkelijk.
We denken bij druk gedrag vaak aan kinderen die aan tafel niet stil kunnen zitten, door elkaar heen praten, allemaal op hetzelfde moment iets anders nodig hebben en tijdens een binnen-activiteit blijven rondrennen of voortdurend switchen van de ene activiteit naar de andere. Maar de aanleiding voor al dat drukke gedrag ontstaat vaak al eerder.
Het buitenspelen is afgelopen en de groep gaat naar binnen. Een baby wordt wakker en komt weer op de groep. Een kind komt na een lange schooldag de bso binnen. Een peuter die nog volledig opgaat in zijn bouwwerk hoort dat het tijd is om te gaan slapen. Voor volwassenen lijken dit kleine dagelijkse momenten, maar voor kinderen zijn het grote overgangen. Momenten waarop ze moeten stoppen, schakelen, wachten, aanpassen en opnieuw beginnen, en juist tijdens deze overgangsmomenten ontstaat vaak de onrust die we bestempelen als druk gedrag.
Wat een overgang vraagt
Een groep kinderen speelt buiten. Er wordt gerend, gefietst, geklommen en gelachen. Dan klinkt het signaal dat het tijd is om naar binnen te gaan. Binnen enkele minuten lijkt de sfeer veranderd. Een kind blijft rondrennen. Een ander vergeet zijn jas op te hangen. Bij de wasbak ontstaat geduw en getrek. Achter een ogenschijnlijk eenvoudige overgang schuilt een ingewikkeld proces. Kinderen moeten stoppen met wat ze aan het doen zijn, hun aandacht verleggen naar iets nieuws, onthouden wat er van hen verwacht wordt en hun impulsen reguleren. Daarbij doen ze een beroep op executieve functies: de vaardigheden die helpen om gedrag, aandacht en emoties aan te sturen. Executieve functies ontwikkelen zich gedurende de hele kindertijd. Vaardigheden zoals impulsbeheersing, cognitieve flexibiliteit en werkgeheugen zijn allemaal nog volop in ontwikkeling.
Wat voor volwassenen voelt als een kleine verandering, vraag van kinderen soms een flinke mentale inspanning. Daarnaast doen overgangsmomenten een beroep op zelfregulatie: het vermogen om gevoelens, spanning en gedrag af te stemmen op wat de situatie vraagt. Een kind moet niet alleen weten wat er gaat gebeuren, maar ook omgaan met de gevoelens die daarbij horen. Teleurstelling omdat het spel stopt. Ongeduld tijdens het wachten. Vermoeidheid aan het einde van de dag. Daarom zijn overgangsmomenten niet alleen praktisch van belang, maar ook in pedagogisch opzicht bijzonder betekenisvol.
Van buiten naar binnen
Wanneer kinderen buiten spelen, gebruiken ze hun lichaam op een andere manier dan binnen. Ze bewegen vrij, maken meer geluid en hebben vaak meer ruimte om hun energie kwijt te kunnen. Binnen worden ineens andere vaardigheden gevraagd. Stilzitten, wachten, luisteren en rekening houden met elkaar. Voor sommige kinderen verloopt die overgang soepel. Andere kinderen hebben meer tijd nodig om van de ene activiteit naar de andere te schakelen. Wanneer die tijd ontbreekt, zien we soms gedrag dat we interpreteren als druk. Terwijl het ook een signaal kan zijn dat een kind nog bezig is met de overgang tussen verschillende activiteiten. Veel onrust die tijdens activiteiten zichtbaar wordt, vindt zijn oorsprong in de overgang ertussenin.
Ik stap een voorschool binnen, een paar dagen na een verontrustend belletje van een locatiemanager. Ze zegt dat ze het eigenlijk niet hardop mag zeggen, want het is niet aan haar om zoiets vast te stellen, maar het is echt waar: er lopen vijf ADHD’ers rond. Dan gaan bij mij meteen alle alarmbellen af. Óf we hebben het hier over een kans van één op een miljard (ik heb het niet uitgerekend, maar het klinkt goed), óf er is iets anders aan de hand.
Het is 8:50 uur wanneer ik de groep op loop. Ik groet de pedagogisch professionals, die amper doorhebben dat ik er ben, en verdwijn in een hoek om te observeren. Wat zijn ze hard aan het werk. Het zweet staat op hun voorhoofd en ze staan geen moment stil: van de ene hoek naar de andere, en maar corrigeren en aansturen. Het vrije spel oogt allesbehalve ontspannen. Niet voor de professionals, en ook niet voor de kinderen.
Lange minuten aan tafel
Om 9:00 uur klinkt het opruim-liedje en gaan de kinderen naar de kring. Het is 9:15 uur voordat iedereen zit; een paar kinderen rennen dan nog rond (de vermoedelijke ADHD’ers uit het telefoongesprek). Door alle onderbrekingen duurt de kring twintig minuten. Daarna aan tafel voor het fruitmoment, waar de kinderen nog eens drieëntwintig minuten moeten zitten. De eersten zijn na zeven minuten al klaar, en ik hoef niet te vertellen wie dat zijn. Dan volgen er nog zestien lange minuten aan tafel, het liefst enigszins stil. Als het tijd is om naar buiten te gaan, rennen de kinderen als koeien die de hele winter binnen hebben gestaan de deur uit. Ze springen en gillen, alles komt eruit.
De kind-bril
Oververhit komen twee professionals naast me staan. ‘Zo, je hebt het wel gezien, denk ik? Dit is geen doen.’ Ik erken dat ik ze ontzettend hard heb zien werken en dat het er pittig uitziet. En dan ontstaat het spanningsveld dat ik inmiddels goed ken.
Professionals kijken en praten op zo’n moment vaak vanuit wat Bert Wienen de kind-bril noemt. Ze verklaren de situatie vanuit problematiek die in het kind zou zitten. Er worden labels geplakt, bijna altijd ingeleid met: ‘Ik weet dat ik het niet mag zeggen, maar dit is echt...’ (ADHD, in dit geval). Dat verhaal is belangrijk om te ontvangen. De fout die we vroeger maakten, was eroverheen blazen en meteen naar de context kijken. Dan voelt een professional zich niet gehoord en staat diegene zodoende niet open voor wat ik te zeggen heb. We spreken uit ervaring. En laten we eerlijk zijn: kindgerelateerde problematiek kán een hypothese zijn. Het doel is niet om die van tafel te vegen, maar om te onderzoeken wat dit kind, of deze kinderen, in deze situatie kan helpen.
De context-bril
Daarvoor introduceren we de context-bril. De vraag wordt dan: wat zegt het gedrag van het kind eigenlijk over onze context? En welke aanpassingen kunnen we daarin maken? We zeggen in onze trainingen altijd: het kind ga je niet veranderen, de context wel.
Nola Bottelier heeft vorig jaar de jaaropleiding tot Atelierpedagoog van ‘Atelier in een koffer’ afgerond. In haar jaarverslag neemt zij de lezer mee in de visie en procesgerichte werkwijze ‘Begrijpen met je handen’. Ze laat zien hoe procesgericht werken vorm krijgt in de praktijk. Op een ochtend tijdens haar bijzondere werk op een dreumesgroep zie je hoe kijken, vertragen en volgen van het kind nieuwe inzichten oplevert voor jouw pedagogisch handelen.
Alle kinderen hebben van nature een sterke behoefte om te bewegen. Deze beweegdrang hangt samen met de manier waarop het lichaam en brein zich ontwikkelen. In een groepsruimte op de kinderopvang gebeurt veel tegelijk: kinderen bewegen, praten, beginnen iets nieuws en gaan weer door. Juist in deze drukte valt soms dat ene kleine moment op. Een kind dat stopt. Dat kijkt naar iets op de grond. Niet meteen begrijpt wat het ziet. Maar ook niet doorloopt. Daar, in dat kleine stilvallen, begint iets.
In procesgericht werken zit niet alleen beweging, maar ook stilstand. Want juist in het moment dat we niet ingrijpen, ontstaat er ruimte om te zien wat er werkelijk gebeurt.
De waarde van een moment
In de drukte lijken deze momenten klein of vallen ze jou misschien niet eens op. Maar ze verdienen het eigenlijk wel om te worden opgemerkt. Een kind dat blijft hangen bij iets, dat herhaalt, dat opnieuw probeert of doorpakt naar een nieuw spoor, daarin zie je betrokkenheid. Soms stil. Soms met geluid. Soms enorm geconcentreerd. Soms alleen, en soms samen. Daar ontstaat flow. Niet als doel, maar als gevolg van iets ontdekken, iets onderzoeken of iets opmerken.
Waar voetsporen beginnen te spreken
Nola beschrijft in haar verslag: Het is de dag voor kerst. Ik ben met een klein groepje kinderen op de dreumesgroep. De groep is helemaal in de feestsfeer met lichtjes en een houten kerstboom. We hebben in de schilderhoek de afgelopen weken met de kinderen van de groep die wilden met aquarelpotloden op twee grote kartonnen gekriskrast. Kriskrassen is het tekenen door jonge kinderen, waarbij ze met een lijn ‘uit wandelen’ gaan. Het is een feestelijk gezicht, alle kleuren en lijnen van de kinderen door elkaar heen. En nu zijn de kartonnen vol.
‘Zullen we de kartonnen nu verven?’ Daar hebben de kinderen wel zin in. Zeker als ik met verfrollers aankom. Ik besluit de kinderen zwarte verf te geven. Zo hebben we na deze verfsessie weer een nieuw, zwart canvas voor andere experimenten.
Met dikke druppels zwarte verf op het karton en grote verfrollers beginnen de kinderen het karton te verven. Wanneer het eerste karton helemaal zwart is, leg ik het op de grond zodat we het tweede karton ook kunnen verven. Mees loopt over het net geverfde karton heen naar de andere kant van de schilderhoek. Hij kijkt achterom en ziet dat er allemaal zwarte voetafdrukken op de grond staan. Wow, wat is er gebeurd? Hij loopt terug over het karton en aan de andere kant weer door en kijkt achterom. Nog meer voetsporen! Jay kijkt op en ziet het onderzoek van Mees. Hij laat zijn roller liggen en rent ook naar het karton op de grond. Hij loopt over het karton en kijkt achterom. Voetsporen! Lachend rennen ze nu samen heen en weer over het karton. Wat een pret: allemaal zwarte voetsporen rondom het karton op de vloer. Ze worden zo enthousiast dat ze harder beginnen te rennen. Het is glad en ze glibberen over de grond. ‘Pas op! Misschien is lopen een beter idee?’
Samen maken we foto’s van de voetsporen. Wat een verrassend resultaat; dit hadden we niet van tevoren bedacht. De kartonnen zijn geverfd. Na de kerstvakantie gaan we hier met wit krijt weer op kriskrassen. Wie weet gaat het wel op sneeuw lijken. De kinderen zullen zich in ieder geval verwonderen.
In onze drukke wereld worden jonge kinderen vaak geconfronteerd met een hoop prikkels: schooltaken, sociale verwachtingen en dagelijkse routines. Dit kan leiden tot een gevoel van druk dat zich zowel in het hoofd als in het lichaam laat voelen.
Kinderen kunnen gespannen raken, onzeker worden of moeite hebben om rust te vinden. Het vermogen om deze spanning te herkennen, los te laten en in balans te brengen, is een belangrijke bouwsteen voor hun gezonde ontwikkeling. Bij kinderen van 3 tot 10 jaar kan yoga goed helpen bij dit proces. Door unieke bewegingen te combineren met fantasierijke verhalen en ademhalingsoefeningen, leren kinderen op een speelse manier hun lichaam en geest te ontspannen.
Yoga-technieken
Onderstaande kinderyoga-oefeningen zijn ontworpen door Lyona Rose en vervolgens in de praktijk met kinderen verder door haar verfijnd. Lyona ontwikkelde de oefeningen met het oog op hoe kinderen spanning ervaren en loslaten. De oefeningen stimuleren niet alleen de motorische ontwikkeling, maar ook emotionele expressie en verbeeldingskracht. Kinderen leren hun fantasie te gebruiken als een instrument om rust en zelfvertrouwen te vinden, waardoor ze spelenderwijs emotionele veerkracht ontwikkelen.
De sprankelboom
Laat de kinderen in een kring zitten rondom de pedagogisch werker en creëer een rustige sfeer. Leg op een eenvoudige en beeldende manier uit dat een boom begint als een klein zaadje. ‘Stel je voor dat we allemaal kleine boomzaadjes zijn. Eerst zijn we klein en stil, maar langzaam groeien we uit tot een grote, sterke boom die steeds groter en groter groeit uit de grond.’ Vraag de kinderen om eerst hun lichaam klein en ontspannen te maken, alsof ze een zaadje zijn dat in de aarde ligt. Laat ze hun ogen eventueel sluiten en diep inademen – dan voelen hoe ze stevig in de grond zitten. Vervolgens komen ze heel langzaam recht overeind, waarbij ze hun hele lichaam gebruiken om de groei uit te beelden.
Staand reiken de kinderen hun armen langzaam omhoog, alsof ze takken zijn die zich uitspreiden naar de lucht. Laat ze zachtjes heen en weer bewegen met hun armen, alsof een zachte wind door de takken waait. Nodig de kinderen uit om rustig uit te ademen bij elke beweging en de ademhaling bewust te ervaren. Vertel dat dit de wind is die langs de takken waait, waardoor de boom zachtjes beweegt. Zet rustgevende achtergrondmuziek op, bijvoorbeeld zachte relax- of natuurgeluiden, en laat de kinderen de bewegingen en ademhaling op hun eigen tempo volgen. Het is belangrijk dat de oefening langzaam en vredig verloopt, zodat kinderen de ervaring van groei, ontspanning en verbondenheid met hun lichaam volledig kunnen voelen.
Herhaal deze cyclus van langzaam opstaan, armen uitstrekken en zachtjes bewegen drie keer, zodat de kinderen de metafoor van het groeien van een zaadje tot een grote, sprankelende boom volledig kunnen beleven. Gedurende de oefening kun je af en toe zachte suggesties geven om de verbeelding van kinderen te stimuleren en hun lichaamsbewustzijn te versterken, bijvoorbeeld: ‘Voel hoe je wortels stevig in de aarde groeien’, of ‘Voel de wind zacht langs je takken waaien’. Deze oefening ondersteunt zowel de motorische ontwikkeling als de emotionele regulatie en kan eenvoudig worden geïntegreerd in een pedagogische setting, waarbij kinderen leren ontspannen, concentreren en hun verbeeldingskracht inzetten.