Rekenen lijkt misschien iets voor oudere kinderen die cijfers leren herkennen en sommen maken. Toch begint de rekenontwikkeling al eerder. Baby’s en dreumesen van 0-2 jaar zijn voortdurend bezig met het ontdekken van hoeveelheden, patronen, ruimte en tijd. Deze vroege ervaringen vormen de basis voor later rekenbegrip. Door bewust rekenprikkels aan te bieden in het dagelijks leven, kunnen pedagogisch professionals en ouders deze ontwikkeling spelenderwijs stimuleren
Bij jonge kinderen gaat rekenen niet over cijfers of optellen. Het gaat om begrijpen door te doen. Ze leren bijvoorbeeld het verschil tussen groot en klein, vol en leeg, warm en koud. Ook leren ze dat dingen ergens in kunnen en ook weer uit. Of dat iets valt zodat je er dan niet meer bij kunt (oorzaak-gevolg). Rekenactiviteiten sluiten aan bij de natuurlijke nieuwsgierigheid. Ze hoeven niet gepland of ingewikkeld te zijn, juist alledaagse momenten bieden volop kansen.
Hoofdlijnen rekenontwikkeling 0-2 jaar
• Ontdekken van hoeveelheden
• Verschil tussen groot/klein en vol/leeg
• In, uit, bovenop
• Herkennen van patronen en herhaling
• Leren door zintuiglijke ervaringen
Rekenen in de dagelijkse routines
De beste rekenmomenten zijn de gewone, dagelijkse momenten. Tijdens het verschonen kun je zeggen: ‘Eerst één sok, dan de andere.’ Bij het eten kun je woorden gebruiken als: ‘Nog een hapje’ of ‘Alles is op’ of ‘Jij hebt kaas op brood en Tom heeft humus’. Tijdens het aankleden kun je praten over de broek, je trui of eerst je arm. Ook opruimen is een waardevol rekenmoment. Samen speelgoed in de doos doen, blokken in de mand leggen of de bekers opstapelen. Zo leren jonge kinderen sorteren en ordenen, zonder dat ze het doorhebben. Herhaling speelt hierbij een belangrijke rol. Hoe vaker een kind woorden als ‘nog’, ‘meer’ of ‘klaar’ hoort, hoe beter het deze woorden leert te begrijpen.