En verder:
9 Dit artikel gaat niet over AI
12 Werken met duurzame en natuurlijke materialen
14 Muziekcolumn: Fantasiesafari
16 Kunstbeleving als motor van ontdekkend leren
23 Een pedagogisch coach voor de pedagogisch professional
26 Kinderboeken
28 Taal groeit wanneer kinderen het beleven
31 Ontdekken begint bij de ruimte
38 Okiddo 4-12 jaar: Van een stuk klei naar een keramieken schaaltje
41 KiMu: van creatieve kinderopvang tot kinderkunstmuseum
44 Leespluim
46 Vakliteratuur
48 Creatief denken is geen luxe, maar pure noodzaak
50 Ouders als partner in ontdekkend spelen en leren
56 Waar het hart woont; hechting, liefde en nabijheid als fundament
59 Mam, hoe oud moet ik zijn om met iemand te zoenen?
62 Tussen haast en aandacht; ontdek de kracht van de overdracht
69 Ontdekken en onderzoeken in de kinderopvang
72 Tussen tegels en regels; ontdekken in de natuur
76 Muzikaal ontdekkingsspel in de bso
80 De verwondering levend houden
84 Ontdekken? Dat doe je buiten, in het groen natuurlijk!
87 Podcasttips
91 Spelen als motor voor ontdekken
94 Kobus, de dwarse krab en andere interactieve voorleesboeken
96 Okiddo 0-4 jaar: Rekenen begint niet met cijfers, maar met beleven
98 Volgende keer & Colofon
Bij creativiteit denken veel mensen nog steeds aan tekenen, knutselen of een leuke activiteit tussendoor. Iets wat je doet als er tijd over is na een reken- of taalactiviteit. Dat beeld is begrijpelijk, maar het doet geen recht aan wat creatief denken werkelijk inhoudt.
Creativiteit is geen vak en geen aangeboren talent voor een kleine groep mensen, maar een manier van kijken. Het gaat over verbeelden, onderzoeken en nieuwe mogelijkheden zien. Over vragen stellen, verbanden leggen, uitproberen en durven afwijken van wat je al kent. Het is het vermogen om anders te kijken naar situaties en daarvoor eigen oplossingen te bedenken. En precies dát maakt creatief denken onmisbaar in een tijd waarin vraagstukken steeds complexer worden.
Fundamentele menselijke vaardigheid
We bereiden kinderen voor op een toekomst die we nog niet kennen. Technologie en AI ontwikkelen zich razendsnel. Informatie is overal beschikbaar. Wat steeds belangrijker wordt, is niet wat je weet, maar hoe je denkt en kijkt. Het vermogen om flexibel te zijn, met onzekerheid om te gaan en nieuwe mogelijkheden te blijven zien.
Creatief denken helpt kinderen om zich tot die wereld te verhouden. Niet omdat ze later iets creatiefs moeten ‘worden’, maar omdat ze mens zijn in een samenleving die voortdurend verandert. De Britse onderwijsexpert Ken Robinson benadrukte dit al jaren geleden. Hij liet zien dat creativiteit een fundamentele menselijke vaardigheid is: iets wat bij iedereen aanwezig is, maar wat alleen kan groeien wanneer er ruimte voor is.
Ontdekken begint bij nieuwsgierigheid
Steeds meer onderzoek onderstreept dit. Creatief denken wordt internationaal gezien als een van de belangrijkste vaardigheden voor de toekomst, juist omdat het kinderen helpt omgaan met verandering en onzekerheid. Ook neurowetenschapper Erik Scherder pleit ervoor om creativiteit terug te brengen in het basiscurriculum. Volgens hem is creativiteit essentieel voor een gezonde breinontwikkeling, omdat het nieuwsgierigheid activeert, verbindingen versterkt en cognitieve flexibiliteit bevordert. Die ruimte voor creativiteit ontstaat in het ontdekken. Ontdekken begint niet bij het juiste antwoord, maar bij nieuwsgierigheid. Bij het durven stellen van vragen zonder meteen te weten waar je uitkomt. Dat vermogen is geen bijzaak, maar een essentiële levensvaardigheid voor kinderen die opgroeien in een wereld die steeds minder voorspelbaar wordt. Voor jonge kinderen is dit volkomen vanzelfsprekend. Een doos wordt een raket. Een stok verandert in een microfoon. Een toren mag instorten, zodat hij opnieuw gebouwd kan worden. In die momenten ontdekken kinderen iets essentieels: ik kan zelf iets bedenken. Niet het resultaat, maar het proces maakt het verschil.
Dat gevoel vormt de basis voor zelfvertrouwen, veerkracht en eigenaarschap.
Creativiteit gaat niet over het maken van mooie producten. Het gaat over durven onderzoeken. Over ruimte ervaren om te proberen zonder dat het meteen goed hoeft te zijn. Juist daarin schuilt de kracht van leren en ontwikkelen. Maar die ruimte ontstaat niet vanzelf.
Een baby die keer op keer een lepeltje van de tafel laat vallen. Een peuter die minutenlang zand door zijn vingers laat glijden. Een kleuter die zich hardop afvraagt wat er zou gebeuren als hij twee kleuren mengt. Een ouder kind dat niet meteen meedoet, maar eerst van een afstandje observeert.
Het zijn momenten die makkelijk voorbijgaan in de drukte van een dag. En toch gebeurt hier iets fundamenteels. Dit is ontdekken. En ontdekken is geen vrijblijvende bezigheid. Het is de kern van leren, vanaf de geboorte tot ver voorbij de lagere schoolleeftijd.
Verbindingen in het brein
Kinderen komen niet ter wereld met de vraag wat ze moeten doen. Ze komen met nieuwsgierigheid. Met een natuurlijke drang om te voelen, te testen, te proberen en te begrijpen. Die sprankel in hun oogjes. Baby’s doen dat met hun hele lijf. Ze kijken, proeven, luisteren, bewegen en voelen. Elke nieuwe ervaring legt verbindingen in het brein. Hoe vaker die ervaringen terugkeren, hoe sterker en duurzamer die verbindingen worden.
Bij peuters en kleuters zie je dat proces bijna tastbaar. Ze herhalen eindeloos dezelfde handelingen. Niet om te plagen of uit gewoonte, maar omdat hun brein volop bezig is met bouwen. Ze onderzoeken oorzaak en gevolg, zwaartekracht, materialen en relaties. Ontdekken is voor hen geen aparte activiteit, het is hun manier van in de wereld staan.
Ook wanneer kinderen ouder worden, stopt dat proces niet. Het verandert alleen van vorm. Ontdekken zit dan in het experimenteren, het zoeken naar oplossingen, het combineren van ideeën, het samenwerken met anderen en het doorzetten wanneer iets niet meteen lukt. Wie denkt dat ontdekken verdwijnt zodra kinderen ‘moeten stilzitten’ of ‘mee moeten’, miskent hoe leren echt werkt.
Structuur versus vrijheid
Toch vraagt ontdekken iets wat in onze samenleving steeds schaarser lijkt te worden: ruimte, tijd en vertrouwen. Ontdekken laat zich niet strak plannen. Het laat zich niet afdwingen en al zeker niet haasten. In de kinderopvang en buitenschoolse opvang balanceren we vaak tussen structuur en vrijheid. We willen veiligheid, overzicht en rust, maar tegelijk willen we kinderen laten groeien. Echte ontdekking ontstaat wanneer kinderen zich veilig voelen, wanneer ze niet opgejaagd worden, wanneer ze keuzes mogen maken en wanneer fouten geen probleem zijn, maar onderdeel van het proces.
Dat vraagt iets van ons als begeleiders. Niet een afwachtende houding, maar een heel bewuste. Aanwezig zijn zonder te domineren. Kijken voordat we sturen. Vertrouwen op het leervermogen van het kind, ook – of net – wanneer het anders loopt dan gepland.
Een baby die sabbelt op een boekje. Een dreumes die bladzijdes heen en weer slaat om te kijken wat er gebeurt. Een peuter die verwonderd naar een bladzijde kijkt en vraagt: ‘Wat is dat?’ Het zijn de gewone dagelijkse voorleesmomenten, waarin ontzettend veel wordt ontdekt.
Een boek is voor jonge kinderen een uitnodiging om de wereld te verkennen: dichtbij, veilig en samen met jou als volwassene. Dat vraagt om bewuste keuzes. Welk boek past bij dit kind, op dit moment? Kennis van de leesontwikkeling, helpt je om die keuze te maken. De leesontwikkeling van jonge kinderen is op te delen in vier fasen.
1 Baby’s ontdekken een boek met al hun zintuigen
Een baby kan al vanaf de geboorte met boeken kennismaken. Door te kiezen voor boekjes met grote contrasten stimuleer je de kijkontwikkeling. Baby’s vinden het prettig en interessant om hiernaar te kijken.
Zodra een baby naar een boekje kan grijpen, kies je voor stoffen exemplaren. Ze zijn zacht, buigzaam en vaak voorzien van verschillende texturen, wat uitnodigt tot verder onderzoek. Baby’s ontdekken een boek met hun hele lijf. Ze zwaaien ermee, knijpen erin en stoppen het in hun mond. Dat is precies hoe leren in deze fase werkt. Lippen zijn gevoeliger dan vingertoppen, dus door te sabbelen ontdekken ze het boek.
Rond een maand of negen gaan baby’s boekjes steeds meer hanteren als echte boeken. Hun motoriek ontwikkelt zich verder, waardoor ze met twee handen een boek kunnen vastpakken, bladeren en het boek open en dicht kunnen doen. Dat bladeren is op zich al een ontdekking en je ziet kinderen vaak fanatiek hiermee bezig zijn. Bied makkelijk hanteerbare boekjes aan. Stoffen boekjes en badboekjes blijven favoriet, omdat ze licht zijn en soepel meebewegen. Harde kartonnen boeken zijn vaak nog lastig om in te bladeren, zeker als ze groot of zwaar zijn.
Let bij het kiezen van een boek ook op het kleurgebruik. Boeken met heldere, contrastrijke kleuren sluiten het beste aan bij de visuele ontwikkeling van baby’s. Zachte tinten zijn minder goed zichtbaar en nodigen minder uit tot ontdekken.
Ken je dat gevoel? Je zit eindelijk op de bank en in je hoofd ben je nog steeds bezig met die ene observatie of dat berichtje voor de ouder-app. Je bent fysiek wel thuis, terwijl je ‘werk-knop’ nog volop aan staat. Dit artikel gaat over hoe slimme hulp je werkdag lichter maakt, zonder dat je je vak hoeft los te laten.
Laten we eerlijk zijn: je hebt de mooiste baan van de wereld en aan het einde van de dag ben je vaak ook gewoon ‘op’. Je hebt alles gegeven voor de kinderen. Brandjes geblust in de bouwhoek, snotneuzen weggepoetst en voor de derde keer die luier verschoond die net vijf minuten schoon was...
En dan begint wat ik altijd gekscherend ‘de tweede dienst’ noem. Terwijl de ouders straks hun kinderen ophalen, pak jij de tablet erbij. Het is tijd om de ouder-app bij te werken en de voortgang in het kinddossier te zetten. Je hoofd zit nog vol van alle indrukken, geluiden en emoties van de dag. De juiste woorden vinden gaat dan een stuk moeilijker. Is het niet fijn dat er dan een digitale assistent is die jou nu kan helpen? Dit artikel gaat niet over AI. Het gaat over jouw kostbare tijd en hoe je die met een beetje hulp terugkrijgt van technologie.
De dag dat alles veranderde
Het was september 2023. Ik zat achter mijn laptop en mijn hoofd stond nog volop ‘aan’ van de werkdag. De dag was hectisch geweest en ik had nog een stapel mails te beantwoorden. Ik dacht: ik ga het gewoon eens proberen, die ChatGPT waar iedereen het over heeft en waar je overal over leest.
Ik was nieuwsgierig naar deze nieuwe tool, maar verwachtte er eerlijk gezegd niet veel van. Ik dacht dat zo’n digitale hype voor ons werk totaal niet belangrijk zou zijn. Wij werken immers met onze handen, ons gevoel en ons hart. Wat kan een computer daar nou aan toevoegen?
Ik toetste een simpele opdracht in: schrijf een vacature voor een pedagogisch medewerker op een kinderdagverblijf. Wat er toen op mijn scherm verscheen, was bizar. Ik kreeg een tekst die echt klopte. Geen zakelijk, koud verhaal, maar een warme, uitnodigende tekst in precies de juiste toon. Het voelde alsof er een ervaren collega aan de andere kant zat die de praktijk door en door begreep. Op dat moment wist ik direct: dit is geen grapje of een tijdelijke trend. Dit is een absolute gamechanger, óók voor iedereen die in de kinderopvang werkt.
De wet IKK schrijft voor dat iedere pedagogisch professional jaarlijks (persoonlijk) gecoacht wordt door een pedagogisch coach. Wat is de rol van de pedagogisch coach? Wat betekent dit voor jou als pedagogisch professional? In dit artikel wordt de rol van de pedagogisch coach vanuit verschillende gezichtspunten benaderd.
Het is 7.45 uur. Myriam werkt op haar vaste verticale groep. Ouders komen binnengedruppeld; de een met een huilende, eenkennige baby van tien maanden op de arm, een vader met peuter Tommie die niet druppelend maar als een stortvloed de groep op rent en met luide stem laat horen dat hij er is. De moeder van Puck (1,5 jaar) vertelt dat Puck vanochtend niet helemaal fit wakker werd maar dat het nu wel weer gaat. Moeder heeft vandaag een hele drukke dag en komt Puck rond 18 uur halen. ‘Als de files meevallen’, zegt ze half-lachend.
Rustig begin van de dag?
Intussen rent de vader van Tommie door de ruimte en struikelt bijna over de kist met blokken die Tommie om heeft gegooid, die nu richting de gang rent waar zijn vriendje Dirk in aantocht is. De vader van Tommie laat Tommie op de gang met Dirk stoeien. Hij gaat achter de moeder van Puck staan en kijkt met een frons die lijkt te willen zeggen: schiet een beetje op, ik heb haast en wil ook nog een behoorlijke overdracht. Zodra Myriam de moeder van Puck gedag heeft gezegd, schiet de vader van Tommie op Myriam af en zegt dat Tommie een beroerde nacht heeft gehad maar vanmiddag niet mag slapen omdat anders het slapen vanavond helemaal hopeloos is. ‘Dus niet slapen hè, ook geen half uurtje! Succes met deze doerak.’ Vader wil Tommie nog een knuffel geven maar Tommie rent weg, op weg naar de bouwhoek. ‘Tot vanavond grote boef’, roept vader met luide stem over de groep. Daar staat Myriam met een huilende baby (5 maanden) op haar arm, een huilend kind (1 jaar) trekkend aan haar been. Tommie en Dirk rennen door de ruimte. Twee meisjes (3 jaar) staan bij de deur en kijken naar Myriam. Om 8.30 uur komt Truus binnen, de vaste collega van Myriam. Myriam staat het huilen nader dan het lachen. Ze deelt kort en bondig met Truus wat er in het afgelopen uur zoal heeft plaatsgevonden. Om 11 uur voelt Myriam aan het voorhoofd van Puck en temperatuurt haar. Puck heeft koorts. Ze belt moeder op. Puck heeft vanochtend een zetpil gekregen omdat een dag verlof er echt niet in zit. Moeder zal haar partner bellen om Puck op te halen. Na veel heen en weer gebel komt de oma van Puck haar om 12.30 uur ophalen. Anderhalf uur heeft Truus met een zieke baby op de arm door de ruimte gelopen omdat Puck ontroostbaar jammerde.
In veel groepen klinkt de wens dat jonge kinderen, als ze eenmaal zijn begonnen, ook direct vlot meedoen, ontdekken, spelen en zich ontwikkelen. Maar wanneer komt die ontwikkeling eigenlijk op gang?
In een tweejarig traject volgde ik jonge kinderen die vanaf hun eerste dag instroomden in VVE-groepen. Wat opviel, was dat kinderen gemiddeld ongeveer twintig weken nodig hadden voordat hun ontwikkeling zichtbaar in beweging kwam. De vaak genoemde acht tot tien weken wennen blijken dus pas het eerste begin. In die eerste periode bouwen kinderen aan herkenning: het dagritme leren herkennen, vertrouwd raken met de professionals, de andere kinderen en de groepsruimte. Ontwikkeling begint niet bij activiteiten of aanbod. Ontwikkeling begint bij veiligheid. Wanneer een kind zich gezien en gedragen voelt, komt nieuwsgierigheid vanzelf op gang.
Het fundament van veiligheid
Veiligheid is een woord dat we snel gebruiken, maar het omvat veel meer dan gezelligheid of het ontbreken van fysiek gevaar. Voor jonge kinderen betekent veiligheid dat hun lichaam, hart en gedachten kunnen ontspannen, omdat ze ervaren dat de omgeving voorspelbaar, warm en betrouwbaar is. Dat vraagt om volwassenen die niet alleen aanwezig zijn, maar ook emotioneel beschikbaar. Dat betekent werkelijk in contact zijn met het kind, met aandacht, rust en afstemming. Het is het vermogen om het kind te zien zoals het is, met alles wat het op dat moment met zich meebrengt: plezier, nieuwsgierigheid, twijfel, vermoeidheid, verdriet of behoefte aan nabijheid. In die nabijheid leert het kind dat het mag leunen. Dat het welkom is zoals het is. Die ervaring vormt het fundament van veiligheid.
Veiligheid ontstaat bewust: door een voorspelbaar dagritme, vaste gezichten, herhaalde rituelen en routines; en door gevoelens te verwoorden en responsief te reageren. Wanneer wij zien wat een kind probeert te vertellen en daarop aansluiten, daalt de spanning. Het lichaam ontspant, de ademhaling wordt rustiger en de blik opent zich.
Voor kinderen die meer spanning of kwetsbaarheid meedragen, is deze basis nog essentiëler. De kwaliteit van de dagelijkse interacties bepaalt dan of een kind zich kan hechten aan de groep en of het durft te bewegen in het onbekende. Het is niet de hoeveelheid activiteiten die ontwikkeling brengt, maar de betekenisvolle relaties die we met kinderen opbouwen.
Wat er gebeurt in de landingsperiode
Beginnen op een groep is een grote overgang. Een nieuw ritme, nieuwe volwassenen, kinderen met andere energieën en een ruimte vol geluid en beweging. Het zenuwstelsel van een kind reageert daarop met alertheid. Het kind kijkt, luistert, scant, zoekt houvast. Zolang het nog niet weet: “Ben ik hier veilig? Wordt er voor mij gezorgd? Hoor ik hier?”, blijft het brein gericht op bescherming. Er is dan nog weinig ruimte voor vrij spel, ontdekken en taal.
Kun je tegelijk blij en boos zijn? Wat gebeurt er als er geen regels zijn? Waarom hebben vissen een staart? Wie met kinderen werkt, herkent vast dit soort vragen. Soms komen deze vragen onverwachts, midden in een spel, of tijdens een eetmoment. Dit zijn precies de momenten waarop het filosoferen en ontdekken begint, vaak zonder dat we ons hiervan bewust zijn.
Waarom is filosoferen met kinderen in de kinderopvang waardevol? Wat houdt het precies in en hoe kun je dit ontdekkende proces praktisch vormgeven? Filosoferen met kinderen gaat niet over het vinden van het juiste antwoord, maar over samen nadenken, vragen stellen, luisteren naar elkaar en verder denken. Het is napraten, doordenken en opnieuw vragen stellen. Kinderen leren van elkaar, ze groeien en worden wijzer.
Waarom filosoferen met kinderen?
In de kinderopvang geven wij als professionals kinderen de ruimte om te ontdekken, te ontwikkelen en te zijn wie ze willen zijn. Door met kinderen te filosoferen geef je ze de ruimte om eigen gedachten, gevoelens en ideeën te verkennen. Kinderen worden gestimuleerd om zelf te denken, het helpt kinderen informatie te verwerken en creatief te denken. Daarnaast draagt filosoferen bij aan de emotionele ontwikkeling, omdat kinderen meer zelfkennis, zelfsturing, motivatie en inlevingsvermogen ontwikkelen. Niet geheel onbelangrijk binnen het filosoferen is de taalontwikkeling. Tijdens filosofische gesprekken leren kinderen om hun gedachten onder woorden te brengen.
Ook de sociale ontwikkeling wordt gestimuleerd. Kinderen leren te luisteren naar elkaar, te reageren op elkaar en met elkaar verder te denken. Binnen het filosoferen ontdekken kinderen dat ze van mening kunnen en mogen verschillen. Eigen gedachten en ideeën doen ertoe.
Voor professionals biedt filosoferen verdieping in het pedagogisch handelen. Het geeft inzicht in hoe kinderen betekenis geven aan de wereld om hen heen en welke waarden voor hen belangrijk zijn. Door samen te denken ontstaat verdieping en dat versterkt de pedagogische relatie.
Wat is filosoferen met kinderen?
Filosoferen met kinderen is samen nadenken en ontdekken. Vaak gaat het nadenken en ontdekken over vragen waar niet direct een antwoord op bestaat. Het gaat vooral om open vragen, het uitwisselen van ideeën en het verder denken op elkaars reacties. Niet de conclusie staat centraal, maar het gesprek zelf. Filosoferen met kinderen is geen les of methode. Het is een manier waarop je met elkaar in gesprek gaat. In deze gesprekken zijn nieuwsgierigheid, verwondering en luisteren leidend. De professional neemt het denken niet over, maar begeleidt het hele proces.
En verder:
9 Dit artikel gaat niet over AI
12 Werken met duurzame en natuurlijke materialen
14 Muziekcolumn: Fantasiesafari
16 Kunstbeleving als motor van ontdekkend leren
23 Een pedagogisch coach voor de pedagogisch professional
26 Kinderboeken
28 Taal groeit wanneer kinderen het beleven
31 Ontdekken begint bij de ruimte
38 Okiddo 4-12 jaar: Van een stuk klei naar een keramieken schaaltje
41 KiMu: van creatieve kinderopvang tot kinderkunstmuseum
44 Leespluim
46 Vakliteratuur
48 Creatief denken is geen luxe, maar pure noodzaak
50 Ouders als partner in ontdekkend spelen en leren
56 Waar het hart woont; hechting, liefde en nabijheid als fundament
59 Mam, hoe oud moet ik zijn om met iemand te zoenen?
62 Tussen haast en aandacht; ontdek de kracht van de overdracht
69 Ontdekken en onderzoeken in de kinderopvang
72 Tussen tegels en regels; ontdekken in de natuur
76 Muzikaal ontdekkingsspel in de bso
80 De verwondering levend houden
84 Ontdekken? Dat doe je buiten, in het groen natuurlijk!
87 Podcasttips
91 Spelen als motor voor ontdekken
94 Kobus, de dwarse krab en andere interactieve voorleesboeken
96 Okiddo 0-4 jaar: Rekenen begint niet met cijfers, maar met beleven
98 Volgende keer & Colofon
Ontdekken, begrijpen en leren doe je niet op commando: het gebeurt wanneer je vrij mag spelen, bedenken, proberen, voelen en twijfelen, zonder dat iemand je vertelt wat je moet maken of ervaren.
Bij Kleinlab, een creatief kindcentrum in Amsterdam-Noord, weten ze dat ontdekken pas echt mogelijk is wanneer je kinderen ruimte geeft. Niet alleen fysiek, maar ook in denken, voelen en verbeelden. Vanuit die visie ontstond het idee voor een nieuwe plek: KiMu Kinderkunstmuseum, dat in maart de deuren opent in Amsterdam Noord.
Hoe Kleinlab de basis legde
Sinds 2012 krijgen bij Kleinlab KDV en BSO dagelijks 134 kinderen de vrijheid om op hun eigen manier te spelen, te onderzoeken en te maken, vanuit een diepe overtuiging dat ieder kind rijk is aan ideeën, en dat leren pas echt plaatsvindt wanneer een kind betrokken is bij zijn eigen proces. Ieder kind wil twee dingen weten: Mag ik hier zijn en mag ik zijn wie ik ben? Bij Kleinlab is het antwoord op beide vragen volmondig ‘ja’. Vanuit dezelfde pedagogische visie richten de makers van Kleinlab nu een museum op, dat niet óver kinderen gaat, maar vóór en mét hen is gemaakt. Een plek waar experiment en proces geen bijzaak zijn, maar het vertrekpunt van alles.
Suzanne Huis, oprichter van zowel Kleinlab als KiMu, is van huis uit docent beeldende vorming en werkte jarenlang in het voortgezet onderwijs. Daar kwam ze in aanraking met thema-vrij kunstonderwijs en procesgericht werken. Die ervaring wakkerde een verlangen aan om kinderen meer ruimte te geven voor hun eigen spel en verbeelding. Aanvankelijk wilde ze het onderwijs veranderen. Ze richtte zich in 2010 echter op de kinderopvang, omdat ze merkte dat in Amsterdam-Noord een vorm van opvang ontbrak waarin kinderen serieus worden genomen als autonome, creatieve denkers, en waar ruimte is voor verbeelding, onderzoek en eigen initiatief.
In de dagelijkse praktijk van Kleinlab werd snel zichtbaar wat deze pedagogiek oplevert: kinderen werken soms wekenlang geconcentreerd aan hun eigen projecten. Ze stellen vragen, durven hun ideeën bij te stellen en beginnen steeds opnieuw. Niet omdat iemand ze dat vraagt, maar omdat ze het zelf willen. Ontdekken is voor hen een vanzelfsprekendheid.
Om opvoeders en hulpverleners te ondersteunen, schreef Juliette Liber drie interactieve voorleesboeken, elk met een eigen focus. De boeken zijn zo opgebouwd dat ze uitnodigen tot gesprek, reflectie, samen doen en oefenen.
‘Kobus, je loopt dwars!’ – ‘Nee, ik loop niet dwars!’ Het is een stukje uit de dialoog tussen Kobus, een kribbige krab, en twee vrolijke otters. Wat begint als een onschuldig gesprekje, loopt al snel uit de hand. Kobus voelt zich aangevallen, de otters begrijpen niet wat ze verkeerd doen en voor iemand het weet, knijpt Kobus met zijn scharen in de neus van een van de otters. Een ruzie is geboren. Achteraf zijn de drie dieren verbaasd: dit was toch niet de bedoeling?
Emoties, gedrag en onderliggende behoeften
Het verhaal uit Kobus, de dwarse krab laat zien hoe een communicatief misverstand kan uitgroeien tot een conflict wanneer gevoelens en gedachten niet goed worden herkend of verwoord. Precies daar ligt de kracht van dit boek: het biedt kinderen én hun opvoeders of hulpverleners taal om te praten over emoties, gedrag en onderliggende behoeften. Per hoofdstuk wordt weergegeven wat de doelen zijn, welke praatthema’s en doe-dingen bij het hoofdstuk horen en welke cognitief gedragstherapeutische technieken in het hoofdstuk verwerkt zijn.
Taal als sleutel tot sociaal-emotionele ontwikkeling
De ontwikkeling van taal is een fascinerend en essentieel proces in de groei van baby tot peuter, kleuter en schoolkind. In deze jaren breidt de woordenschat zich razendsnel uit, verfijnt de grammatica en wordt de verbale expressie steeds rijker. Dankzij taal leren kinderen niet alleen wat ze willen of nodig hebben, maar ook hoe ze gevoelens als boosheid, teleurstelling, verbazing of onbegrip kunnen uiten.
Voor ouders, pedagogisch professionals, andere professionele mede-opvoeders en hulpverleners ligt hier een belangrijke taak. Door kinderen te ondersteunen in hun taalontwikkeling, helpen zij hen om emoties te herkennen, woorden te geven aan wat er van binnen speelt en beter te begrijpen wat een ander voelt. Dit bevordert wederzijds begrip, vergroot het vermogen tot perspectiefname en draagt bij aan het ontwikkelen van probleemoplossende vaardigheden in sociale situaties.
Als ontdekken draait om het ‘te weten komen dat iets bestaat’, dan moeten jonge kinderen hiervoor ook de mogelijkheden krijgen. Mogelijkheden om zichzelf en de wereld om hen heen te ontdekken. Daarbij is het cruciaal dat zij continu leren van nieuwe ervaringen.
Jonge kinderen zijn van nature wereldkampioen in nieuwsgierig zijn en verwonderd raken. De drang naar ontdekking en het lerend vermogen zijn grote en belangrijke kwaliteiten van het jonge kind. Die kwaliteiten komen pas naar voren als de omgeving ze actief stimuleert en faciliteert.
‘Ik ben ervan overtuigd dat kinderen een innerlijke motivatie hebben om te leren, te ontdekken. Dat ze nieuwsgierig zijn en dat wij daar zijn […] om ze te prikkelen en net dat beetje extra te geven om naar die volgende stap te kunnen.’ (Pedagogisch coach, uit het onderzoek Van koelkastwaardig knutselwerk naar creatief proces.’)
De professionals om het kind heen moeten samen een zo rijk mogelijk programma samenstellen om het leren van het kind te stimuleren. We moeten een vruchtbare bodem creëren om de ontwikkeling van het kind volop tot bloei te laten komen. Dit kunnen we doen door het aanbieden van betekenisvolle ervaringen die verwonderen, kinderen in de flow brengen én hen openstellen om te leren over zichzelf en de wereld om hen heen. Stichting CultuurSchakel doet dit in Den Haag door zich in te zetten voor de kunstbeleving voor peuters binnen de voorschoolse educatie (VE).
Kunstbeleving in de Haagse voorschoolse educatie
Alle VE-groepen in Den Haag hebben recht op een activiteitenbudget, waarmee ze hun peuters jaarlijks betekenisvolle culturele ervaringen kunnen bieden. Deze financiële middelen stelt de Gemeente Den Haag beschikbaar. Vanuit cultuureducatie, de Haagse preventieaanpak én het onderwijsachterstandenbeleid is per groep € 640 beschikbaar voor culturele activiteiten. Hiermee kan de voorschool een keuze maken uit het door CultuurSchakel verzamelde culturele aanbod. Momenteel zijn er 24 Haagse culturele instellingen met een aanbod voor de VE-doelgroep. Van taalkunst, theater, dans, muziek tot beeldende kunst. We streven naar een stevig verankerd en kwalitatief hoogwaardig cultureel aanbod op elke Haagse voorschool.
In de praktijk zien en horen we wat kunstbeleving betekent voor peuters in de voorschoolse educatie. Door kunstenaars en vakdocenten in te vliegen, verrijk je het voorschoolse aanbod. Wanneer een kunstenaar de groep binnenstapt - met de eigen vaktaal, materialen, kennis, een pedagogische kunstvisie én een enorme hoeveelheid nieuwsgierigheid - gebeurt er iets bijzonders. Er ontstaat ruimte voor verbeelding en verwondering, waarin geen goed of fout bestaat, maar waar ontdekken en proberen centraal staat.
‘Mam, hoe oud moet ik zijn om met iemand te zoenen?’ vraagt mijn dochter, terwijl ze tot aan haar kin onder haar roze met oranje gestreepte dekbed is toegedekt. Het schijnsel van haar bedlampje geeft haar vragende gezicht een warme gloed. De vraag past bij haar, bij haar fase van ontwikkeling: nieuwsgierig naar de wereld van complexere relaties, haar veranderende lichaam, haar eigen gevoelens en grenzen, en die van een ander.
In elke fase van ontwikkeling ontdekt het kind de wereld door te spelen, te proberen en te experimenteren. Dat ontdekken gaat vrijwel altijd hand in hand met ambivalentie: de spanning tussen nieuwsgierigheid en voorzichtigheid, tussen willen weten en het liefst nog even bij het bekende en veilige blijven.
Spannend
Die spanning is er al vroeg. Bij een baby die schrikt van spetters in bad, of bij een peuter die bovenaan een steile glijbaan even aarzelt voordat hij naar beneden gaat. Alles wat nieuw is, brengt een beetje spanning met zich mee. Als ouders en verzorgers hebben we de mooie taak om het kind te begeleiden: bij het opgroeien, het ontdekken en het ontwikkelen. En juist dat ontdekken vraagt om een omgeving die veilig is, open staat en passend is bij de leeftijd.
Ontdekkingen rondom seks en seksualiteit
Maar ja, in de aarde wroeten en ontdekken dat wormen uit de grond komen, is voor veel ouders en verzorgers minder spannend om mee om te gaan dan ontdekkingen of gedrag rondom seks en seksualiteit. Eigen gevoelens, normen en opvoeding beïnvloeden in veel gezinnen de reacties op vragen en gedragingen van kinderen, die voortkomen uit nieuwsgierigheid, uit hun directe en digitale omgeving en vanuit hormonale verandering.
Rutgers, het Nederlandse expertisecentrum voor seksuele gezondheid en voorlichting, benadrukt daarom dat ouders eerst naar zichzelf kijken: welke ideeën, gevoelens of overtuigingen heb ik over seksualiteit, en hoe beïnvloeden die mijn reactie als mijn kind vragen stelt of iets wil ontdekken? Even stilstaan bij dit antwoord helpt kinderen voelen dat hun vragen serieus worden genomen.
Dit lied stimuleert de verbeeldingskracht van kinderen en het spelen met taal. Vertel de kinderen dat jullie op een bijzondere safari gaan. Bespreek eventueel dat een safari een ontdekkingstocht is om dieren te ontdekken. Neem, terwijl je het lied een keer afspeelt, zelf de rol van safari-leider Arie op je en loop samen met de kinderen op de maat van de muziek door het lokaal of de speelzaal. Nodig ze uit om daarbij passende bewegingen te maken zoals door een verrekijker kijken, elkaar op bijzondere dieren wijzen in de verte of in de lucht.
Fantasinas en lariekoeken
Vraag de kinderen welke bijzondere woorden ze in het lied hebben gehoord. Laat het lied daarvoor eventueel nog een keer horen. Afhankelijk van de leeftijd van jouw doelgroep kun je ze hierbij een beetje helpen. Naast de fantasinas, de lariekoeken en de zakken vol bombarie die meegenomen worden op safari, zijn dat natuurlijk ook de vreemde dieren: de sprinkhoorn-olie-tijgerhoen, de orang-kroko-slingerpauw en de ratel-grizzly-sidder-haan. Bespreek met de kinderen welke dieren er gecombineerd worden in deze vreemde dierennamen en hoe de dieren eruitzien. Laat om de eigen fantasie van de kinderen niet te veel te sturen nog niet de afbeeldingen bij dit artikel zien. Dit kun je aan het eind van het gesprek wel doen.
Op safari
Leer het refreintje aan. Zing vervolgens nog eens het lied en laat per couplet twee kinderen op safari gaan die uitbeelden wat er in het couplet gebeurt. Gebruik hierbij eventueel attributen, zoals een verrekijker, een tropenhelm en een vlindernetje. De refreinen worden steeds door iedereen gezongen. Oudere kinderen kun je ook uitnodigen om telkens de namen van de fantasiedieren mee te zingen. Schrijf de namen daartoe op het bord.
Fantaseren
Kinderen vanaf een jaar of 6 kun je uitnodigen hun eigen fantasiedieren te tekenen. Deze opdracht kun je eventueel structureren door ze wat vragen te laten beantwoorden. Mijn dier heeft het lijf van een…, de kop van een… enzovoort. Een andere mogelijkheid is dat ieder kind boven een blaadje een zelfverzonnen fantasiedierennaam schrijft, zoals kip-koe, zang-ezel of bonte waterpoedel. De blaadjes worden vervolgens aan een ander kind doorgegeven die het betreffende dier mag gaan tekenen. Bij jonge kinderen kun jij een dier op het bord tekenen met input van de groep. Wat voor hoofd krijgt ons dier? Wat voor staart? Met enige creativiteit kun je misschien zelfs de nieuwe dieren aan het lied toevoegen!.
Muziek speelt bij opgroeiende kinderen een grote rol in hun leven. Ze ontdekken muziekstijlen die ze niet altijd meekrijgen thuis uit en zoeken er hun identiteit in. Onzekerheid bij zelf muziek maken komt vaak voort uit hun omgeving (zie KIDDO #4 2025) en uit het niet voorhanden zijn van muzikale spelideeën. Daar is natuurlijk wat aan te doen, dus lees snel verder!
Allereerst wat verschillen tussen ontdekkend spel met muziek en andere creatieve werkvormen: bij muzikaal spel wordt vaak traditioneel gedacht aan muziekinstrumenten, maar er is zoveel meer mogelijk. Juist creatief spelen buiten de lijntjes bevordert de hersenen, het creatieve vermogen en het plezier. Bovendien is het praktisch veel sneller haalbaar doordat iedereen het kan spelen en iedere pedagogisch professional het kan verrijken met de juiste kennis op zak.
Aan de hand van drie verschillende voorbeelden neem ik je mee hoe je kinderen met een vraag of creatieve opdracht buiten de lijntjes tot creatief spel kan uitdagen. Dit doen we rondom drie soorten uitingen: dans, klank en techniek.
Maak nieuwe danscombinaties
Hiphopdans op klassieke muziek? Urban dance op Latin muziek? Een polonaise op Swingmuziek? Doe eens iets anders en ga uitproberen: combineer verschillende dansstijlen met totaal andere muziek die normaal niet daarbij hoort. Je kunt beginnen vanuit twee verschillende uitgangspunten:
• Neem je favoriete manier van dansen. Ga op zoek naar totaal andere muziek. Misschien hebben anderen wel een idee hiervoor. Kijk welke moves op welk moment van de dans in deze andere muziek goed passen.
• Neem je favoriete muziek. Zoek een totaal andere dansstijl uit die daar niet bij hoort. Ga zeker acht moves uitproberen. Luister naar de muziek wanneer welke beweging zou passen. Wanneer je de basis hebt kun je variaties op deze moves maken die passen bij de muziek.
Hoe kun je dit introduceren?
Wanneer kinderen op je groep graag dansen is er niet altijd overeenstemming welke stijl ze willen dansen. Of je ziet dat ze altijd hetzelfde doen en misschien wel wat uitdaging kunnen gebruiken. Zo kun je twee verschillende stijlen muziek en verschillende dansstijlen gaan combineren. Het zorgt voor meer verbondenheid onderling, maar vooral ook om creatief te denken: het kan ook anders! Omdat het een heel eigen creatie is, is vergelijken moeilijk. Juist het vergelijken kan voor onzekerheid zorgen. Een ander voordeel is dat het oordeel over jezelf daardoor beter kan worden: er is immers geen beroemd voorbeeld van! Wat ze maken is uniek en nieuw. Dit filmpje is een leuke introductie:
Rekenen lijkt misschien iets voor oudere kinderen die cijfers leren herkennen en sommen maken. Toch begint de rekenontwikkeling al eerder. Baby’s en dreumesen van 0-2 jaar zijn voortdurend bezig met het ontdekken van hoeveelheden, patronen, ruimte en tijd. Deze vroege ervaringen vormen de basis voor later rekenbegrip. Door bewust rekenprikkels aan te bieden in het dagelijks leven, kunnen pedagogisch professionals en ouders deze ontwikkeling spelenderwijs stimuleren
Bij jonge kinderen gaat rekenen niet over cijfers of optellen. Het gaat om begrijpen door te doen. Ze leren bijvoorbeeld het verschil tussen groot en klein, vol en leeg, warm en koud. Ook leren ze dat dingen ergens in kunnen en ook weer uit. Of dat iets valt zodat je er dan niet meer bij kunt (oorzaak-gevolg). Rekenactiviteiten sluiten aan bij de natuurlijke nieuwsgierigheid. Ze hoeven niet gepland of ingewikkeld te zijn, juist alledaagse momenten bieden volop kansen.
Hoofdlijnen rekenontwikkeling 0-2 jaar
• Ontdekken van hoeveelheden
• Verschil tussen groot/klein en vol/leeg
• In, uit, bovenop
• Herkennen van patronen en herhaling
• Leren door zintuiglijke ervaringen
Rekenen in de dagelijkse routines
De beste rekenmomenten zijn de gewone, dagelijkse momenten. Tijdens het verschonen kun je zeggen: ‘Eerst één sok, dan de andere.’ Bij het eten kun je woorden gebruiken als: ‘Nog een hapje’ of ‘Alles is op’ of ‘Jij hebt kaas op brood en Tom heeft humus’. Tijdens het aankleden kun je praten over de broek, je trui of eerst je arm. Ook opruimen is een waardevol rekenmoment. Samen speelgoed in de doos doen, blokken in de mand leggen of de bekers opstapelen. Zo leren jonge kinderen sorteren en ordenen, zonder dat ze het doorhebben. Herhaling speelt hierbij een belangrijke rol. Hoe vaker een kind woorden als ‘nog’, ‘meer’ of ‘klaar’ hoort, hoe beter het deze woorden leert te begrijpen.
In het atelier bij bso Boshut van SDK Kinderopvang staat een heuse keramiekoven. De pedagogisch professionals hebben een workshop keramieken gevolgd, om samen met de kinderen mooie dingen te kunnen keramieken. Dagelijks komen de kinderen binnen met de vraag: ‘Gaan we keramieken?’ En ook vandaag is dat niet anders.
We beginnen het proces met het maken van een voorwerp van klei, dat volgende week wordt geglazuurd en afgebakken. Alle kinderen hebben een houten plaat, twee latjes en een ronde stok gekregen. Shirley benoemt dat ze straks zal uitleggen hoe ze dit moeten gebruiken. Ze vraagt: ‘Hebben jullie al een idee wat je gaat maken?’ Alle kinderen roepen enthousiast: ‘Ja!’ Vayenn, Floor, Noor en Milas willen een schaaltje maken en Nina een beker. ‘Dan gaan we lekker starten!’ reageert Shirley. Rollen maar!
‘Jullie hebben dus allemaal een plaat, hier mag je je stuk klei op leggen. Probeer de klei niet te veel te kneden, want dan komt er lucht bij’, begint Shirley haar uitleg. Nina reageert verontwaardigd: ‘Ja, dan breekt het straks in de oven wat je hebt gemaakt! Dat was vorige keer ook gebeurd.’ Shirley zegt: ‘Kijk even goed of je twee latjes precies dezelfde dikte hebben. Als dat zo is, leg je je klei tussen de twee latjes. De twee latjes leg je zo ver uit elkaar, dat jouw ronde stok er aan beide kanten op kan liggen.’ Floor vraagt zich af: ‘Wat gebeurt er als je je klei rolt zonder de latjes?’
‘Als je je klei tussen de twee latjes legt en die plat maakt door met de ronde stok over de latjes te rollen, blijft je klei zo dik als de dikte van je latjes. Doe je dit niet, dan wordt je klei heel dun en breekt het straks heel snel. Is het zo voor iedereen duidelijk?’ vraagt Shirley. De kinderen knikken instemmend. ‘Rollen maar!’ Van bol tot beker (of toch een bakje) Nina zit naar haar stuk klei te kijken en je ziet haar denken hoe ze daar een beker van gaat maken. Shirley ziet dit en zegt: ‘Voor jou is het eigenlijk makkelijker om een draaischijf te gebruiken, maar die hebben wij niet. Weet je zeker dat je een beker wilt maken?’ Nina knikt bevestigend. Shirley helpt haar verder: ‘Dan kun je het beste vanuit het midden met je duimen de bol klei platter maken. En dan de vorm van de mok erin maken. Het handvat kunnen we later doen.’
Nina begint geconcentreerd, maar na een tijd proberen, zegt ze: ‘Ik ga denk ik toch een bakje maken.’ Hierop maakt ze van haar klei weer een bol en begint het proces opnieuw.
Het gebruik van media in de kinderopvang roept veel vragen op: hoe maken we hierin bewuste keuzes en voorkomen we willekeur? Mediacoach Lisanne Hagens van Schermblij geeft advies.
Schermen zijn inmiddels niet meer weg te denken uit het dagelijks leven van jonge kinderen. Ook binnen de kinderopvang worden schermen steeds vaker ingezet, of het nu gaat om educatieve filmpjes, digitale prentenboeken of het ondersteunen van thema’s in de groep. Maar welke rol spelen schermen eigenlijk op de groep? En hoe zorg je ervoor dat media een positieve bijdrage leveren, in plaats van een bron van onrust of discussie worden?
Geschikte content
Als mediacoach zie ik dagelijks hoeveel impact media kunnen hebben op jonge kinderen in de kinderopvang. Vaak ligt de nadruk vooral op het beperken van schermtijd. Natuurlijk is het belangrijk om kritisch daarop te zijn, maar minstens zo belangrijk is de vraag: wat krijgen kinderen eigenlijk te zien?
Niet elk filmpje dat wordt gelabeld als ‘voor kinderen’ is automatisch geschikt. Er is een groot verschil in kwaliteit, en dat verschil merk je direct in het gedrag en de ontwikkeling van kinderen. Snelle beelden, drukke geluiden en oppervlakkige thema’s kunnen zorgen voor onrust en overprikkeling. Rustige, doordachte content met herkenbare thema’s en positieve voorbeelden dragen juist bij aan een gevoel van veiligheid en stimuleren de ontwikkeling.
Bewust gekozen schermtijd
Goede schermtijd kan juist iets toevoegen op het kinderdagverblijf. Kwalitatieve media bieden kinderen nieuwe ervaringen, taalprikkels en mogelijkheden om samen te ontdekken. Het kan gesprekken op gang brengen, aansluiten bij thema’s in de groep en zelfs helpen om sociale vaardigheden te oefenen. Bewust gekozen schermtijd versterkt het pedagogisch aanbod en geeft verdieping aan de dagelijkse praktijk.
Kwaliteit herkennen
Hoe herken je nu kwalitatieve media voor jonge kinderen? Een aantal praktische tips:
• Zouden de hoofdpersonen vrienden kunnen zijn van de groep?
Kijk naar het gedrag van de figuren in het filmpje. Worden er positieve voorbeelden gegeven? Zouden de kinderen in jouw groep deze personages als vriend willen hebben? Dit helpt om te beoordelen of het programma aansluit bij gewenst gedrag.
Steeds meer kindcentra ontdekken dat de fysieke omgeving een actieve rol speelt in de ontwikkeling van kinderen. Niet als passief decor, maar als wat de Reggio Emilia-pedagogiek de derde pedagoog noemt: een ruimte die uitnodigt, prikkelt en ondersteunt zonder dat professionals constant hoeven bij te sturen. Hoe ziet een pedagogisch interieurontwerp er in de praktijk uit?
Het is dinsdagochtend, halftien. In de bouwhoek van kindcentrum De Regenboog zit Stef (3,5 jaar) geconcentreerd te bouwen met houten schijven, stammetjes en natuurlijke doeken om zich heen. Hij bouwt al ruim twintig minuten aan wat hij een boomhut voor de vogels noemt. Af en toe haalt hij een extra schijf, legt hem ergens neer, kijkt, schudt zijn hoofd en probeert opnieuw. Pedagogisch professional Sarah observeert vanaf een afstandje. Ze noteert: Derde keer deze week dat Lucas langer dan twintig minuten zelfstandig bezig is. Vorige maand was dat ondenkbaar.
Wat is er veranderd? Niet het kind. Niet het team. Wel de ruimte. In dit artikel nemen we je mee in de praktijk van kindcentrum De Regenboog, waar wij als pedagogisch interieurontwerpers mochten meedenken over een ingrijpende verbouwing. Je leest hoe een heldere visie, gecombineerd met doordacht ontwerp, niet alleen de kinderen veranderde, maar ook het team en de ouders enthousiast maakte. Ontdekken is fundamenteel voor kindontwikkeling Ontdekken is geen pedagogische luxe. Het is een fundamentele behoefte. Neurologisch onderzoek van ontwikkelingspsychologen zoals Alison Gopnik toont aan dat jonge kinderen hun hersenen vooral ontwikkelen door actief te experimenteren, niet door passief te observeren of instructies te volgen. Kinderen zijn van nature geboren wetenschappers: ze stellen hypothesen op, testen die in de praktijk en trekken conclusies.
Maar dat vraagt wel om de juiste omgeving. Een rijke speel- en leeromgeving, een begrip dat zijn oorsprong vindt in zowel de Montessori-pedagogiek als in de Scandinavische traditie van buitenspelen, biedt kinderen de kans om:
• Autonoom te handelen: zelf kiezen wat ze willen onderzoeken en hoe lang, zonder tijdsdruk of voorgeschreven uitkomsten
• Zintuiglijk te ervaren: materialen te voelen, geuren te ruiken, texturen te vergelijken
• Problemen op te lossen: uitdagingen aan te gaan zonder directe interventie van volwassenen
• Relaties te leggen: verbanden te ontdekken tussen oorzaak en gevolg, tussen materialen onderling
• Zelfvertrouwen op te bouwen: door succeservaringen en het overwinnen van obstakels in een veilige context
Uit praktijkonderzoek van Laevers’ betrokkenheid-schaal blijkt dat kinderen in een goed ingerichte ontdekkingsruimte significant hogere betrokkenheid-scores laten zien dan in traditioneel ingerichte groepsruimten. Maar hoe vertaal je die kennis naar de praktijk?
Ontdekken is een kernproces binnen de ontwikkeling van kinderen van 0 tot 12 jaar. In elke leeftijdsfase, van baby tot bijna-puber, vormt nieuwsgierigheid de motor voor leren. Wanneer kinderen ruimte krijgen om te onderzoeken, groeit niet alleen hun kennis, maar ook hun zelfstandigheid, creativiteit en vertrouwen in eigen kunnen. In de kinderopvang ontstaat die ruimte vaak juist in het dagelijkse spel: in de natuur, de bouwhoek of tijdens vrij spel op de groep.
In de woonkamer rolt een knikker over de vloer. Maar bij het vloerkleed stopt hij ineens. Het jongetje duwt, rolt opnieuw en ontdekt, gewoon op een doordeweekse middag, dat materiaal, structuur en wrijving verschil maken. Het zijn momenten die laten zien hoe vanzelfsprekend kinderen onderzoeken en uitproberen.
Waarom ontdekken zo cruciaal is
Ontdekken is niet zomaar een leuke toevoeging aan het dagprogramma: het vormt de basis van hoe kinderen leren. In de pedagogische literatuur wordt leren door te doen al decennialang gezien als een krachtig mechanisme. Kinderen ontwikkelen hun inzichten wanneer ze kunnen experimenteren, herhalen, aanpassen en opnieuw proberen. Dat proces sluit naadloos aan bij wat in de kinderopvang dagelijks zichtbaar is: onderzoek ontstaat wanneer kinderen ruimte krijgen om hun nieuwsgierigheid te volgen. Binnen het ontdekkend leren komen verschillende ontwikkelingsgebieden samen. Kinderen bouwen aan hun uitvoerende functies door vol te houden en oplossingen te zoeken. Ze prikkelen hun creatief denkvermogen door onverwachte routes te nemen en nieuwe verbanden te leggen. En binnen wetenschap & techniek leren ze voorspellen, vragen stellen, vergelijken en testen, vaardigheden die van nature al in hun spel besloten liggen. Ook de zelfdeterminatie-theorie onderstreept het belang van ontdekken: kinderen hebben behoefte aan autonomie (zelf kiezen), competentie (ik kán dit) en verbondenheid (ik doe dit samen). Ontdekkend spel faciliteert deze drie behoeften op een natuurlijke
manier.
Toch blijkt uit gesprekken met professionals uit het primair onderwijs dat er niet altijd vanzelfsprekend ruimte is voor onderzoekend leren, bijvoorbeeld door tijdsdruk of groepsgrootte, anderzijds doordat veel basisscholen beperkte aandacht besteden aan techniek en onderzoekend spel omdat de basisvaardigheden voorrang krijgen. Juist daardoor krijgt de kinderopvang een steeds belangrijkere rol: een plek waar kinderen zonder prestatiedruk kunnen ervaren dat de wereld vol vragen zit en dat zij een rol spelen bij het vinden van antwoorden.
Ontdek-gericht werken & uitdagingen
In veel bso’s en locaties voor kinderopvang ontstaat ontdekken niet door een uitgewerkt plan, maar juist door kleine momenten waarop een pedagogisch professional meegaat in de nieuwsgierigheid van een kind. Hier laat de praktijk zien wat de theorie beschrijft: kinderen ontdekken wanneer zij basismateriaal, tijd en aandacht krijgen, zonder dat het proces wordt overgenomen door een begeleider.
Er is buiten van alles voorhanden om te bekijken, ervaren en voelen. Je vindt er zomaar een veer, die kan blijven drijven op het water. Hoe kan dat? Zie je ook dat die veer eigenlijk bestaat uit allemaal haartjes op een stokje? Je kunt buiten ook zomaar kleine beestjes tegenkomen zoals mieren of pissebedden. Hoeveel pootjes hebben die eigenlijk of hebben ze helemaal geen pootjes? En hoe zien ze eruit als je ze met een vergrootglas bekijkt?
De cijfers
Uit het Generatieonderzoek Buitenspelen 2025 van Jantje Beton blijkt dat bijna de helft van de kinderen (52%) buitenspelen verkiest boven schermtijd. Kinderen geven ook sterk de voorkeur aan avontuurlijk spel boven rustig spel (52%).
Kinderen geven buitenspelen gemiddeld een 7,9. Ouders waarderen het belang van buitenspelen met een 8,8 en vinden buitenspelen gevaarlijker dan het kind zelf. Het aantal uur dat kinderen gemiddeld per week buitenspelen op school, bso en in de vrije tijd is met 2,5 uur afgenomen sinds 2022.
Compleet draaiboek niet nodig
Er doen zich buiten allerlei aanleidingen voor waar je als pedagogisch professional zo op in kunt spelen. Want die veer, daar kun je misschien wel mee schrijven net zoals ze vroeger deden. En die kleine beestjes kunnen we namaken van klei waarbij kleine takjes gebruikt kunnen worden als pootjes! We denken vaak dat we een compleet draaiboek uitgewerkt moeten hebben om tot een activiteit te komen maar kinderen zelf nemen vaak het initiatief dat je vervolgens kunt gebruiken!
Lokale natuurorganisaties
Denk ook eens aan het bezoeken van lokale initiatieven zoals moestuintjes waar je een kijkje kunt nemen. Daarna kun je terug op de locatie aan de slag met zaaien. Of haal eens een emmertje water met de kinderen uit de sloot en ga vervolgens heel goed kijken wat hier allemaal in beweegt. Vaak zijn er ook natuurorganisaties die nog meer kunnen vertellen over een bepaald onderwerp. Misschien kun je een keer langs een lokale imker of vogelaar. Neem eens contact op met lokale natuurorganisaties!
Kant en klare activiteiten
Mocht je nog iets meer inspiratie nodig hebben dan kun je natuurlijk ook gebruikmaken van talloze kant en klare activiteiten. Zelf ontdekken staat hierbij altijd centraal! In de factsheet op de volgende pagina vind je meerdere websites met leuke en goede activiteiten voor diverse leeftijdsgroepen.
Kinderen zijn geboren om op ontdekking uit te gaan. Als kleine avonturiers verkennen ze de wereld met al hun zintuigen. Ze leren de eigenschappen van materialen door ernaar te kijken, eraan te voelen, proeven, ruiken en horen en ontdekken zo hoe de wereld in elkaar steekt.
Binnen de kinderopvang wordt het belang van zintuigelijke ontwikkeling zeker gezien. Ontdekkend spelen en leren is een vanzelfsprekend onderdeel geworden van het pedagogisch handelen (al is dat zeker nog niet overal het geval). Er worden bewust materialen ingezet om zintuigen te prikkelen en er wordt ruimte gegeven aan kinderen om zelf te exploreren.
Mogelijkheden en materialen
Minder vanzelfsprekend lijkt het om ouders hierin als gelijkwaardige partners te betrekken. De sensorische ontwikkeling begint al bij de geboorte en loopt als een rode draad door het verdere opgroeien. Het gaat hierbij niet alleen om het waarnemen en ervaren van prikkels, maar ook om het verwerken van deze prikkels en vervolgens betekenis eraan geven. Denk aan het luisteren naar verschillende geluiden, spelen met water en verschillende smaken proeven. Hiermee stimuleer je niet alleen de zintuigen, maar draag je ook bij aan de motorische, cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling. Als volwassene heb je de mooie rol om aan te sluiten bij de natuurlijke nieuwsgierigheid van kinderen. Door te faciliteren, te observeren, woorden te geven aan ervaringen en verrijking te bieden. Exploreren doen kinderen als vanzelf, zolang ze hiervoor maar voldoende mogelijkheden en materialen krijgen aangereikt.
Ouders als onmisbare schakel
Ouders zijn de eerste en meest constant aanwezige volwassenen in het leven van een kind. Zij kennen hun kind door en door. De hele dag bieden zij volop sensorische ervaringen, al zijn ze zich hier niet altijd van bewust. Samen eten, een kind in bad doen, buiten spelen enz. Tijdens al deze dagelijkse activiteiten gebruiken kinderen al hun zintuigen. Door ouders te betrekken als partners in ontdekkend spelen en leren sla je een mooie brug tussen thuis en de opvang.
Partnerschap betekent dan ook meer dan ouders informeren over wat er op de opvang allemaal gebeurt. Het gaat over samenwerken vanuit gelijkwaardigheid. Pedagogisch professionals beschikken over veel kennis over ontwikkeling van kinderen en hebben didactische vaardigheden. Ouders hebben de ervaringskennis en onderhouden een unieke relatie met hun kind. Als dit samenkomt, wauw, dan kun je de ontwikkeling van kinderen echt versterken!
We weten inmiddels wel dat risicovol spel waardevol is. Dat verhaal hoeven we niet nóg een keer te vertellen. Maar zodra we er echt mee aan de slag gaan, gebeurt er iets anders, iets dat nog spannender, kwetsbaarder en leerzamer is voor professionals en ouders.
We ontdekken relaties. Tussen kinderen en professionals, tussen professionals en ouders, en misschien nog het meest: tussen professionals en hun eigen overtuigingen. Kinderen zijn meesters in het lezen van volwassenen. Ze pikken onze subtiele signalen vaak beter op dan wij doorhebben en passen hun gedrag daarop aan.
Wat kinderen ons laten zien als wij durven kijken
In een peutergroep zag ik een meisje dat bij de ene professional een handje vroeg als ze het klimrek in ging. Bij de ander klom ze zonder aarzelen zelfstandig omhoog. Haar vaardigheden waren op beide momenten identiek. Wat verschilde? De relatie. De verwachting. De gewoonte. De ene professional had, zorgzaam en liefdevol, ooit haar hand gegeven toen het kind nog wiebelig was. Dat gebaar werd een patroon. De ander keek vooral mee op afstand, wat voor het kind een signaal was dat ze het zelf mocht proberen. Beide reacties zijn niet per se goed of fout maar geven wél waardevolle informatie over hoe kinderen hun gedrag afstemmen op onze houding.
In een andere situatie keek een jongen telkens naar de professional vóór hij sprong. Niet om hulp te vragen, maar om goedkeuring te scannen. Thuis was hij gewend vaak gewaarschuwd te worden. De professional besloot terug te spiegelen: ‘Ik ben hier en ik zie je. Kijk maar eens naar jezelf: wat denk jij dat je kunt?’ De jongen sprong. En hij straalde. Hij had de bevestiging gekregen die hij nodig had: ik krijg de ruimte.
Wat professionals ontdekken en soms best spannend vinden
Wanneer ik met studenten of coaches spreek over veiligheid, gaan die gesprekken zelden over het kind. Ze gaan vaak over de professional: de vrees voor een boze ouder, een eerdere nare ervaring, de druk om goed op te letten of de automatische reflex om het zekere voor het onzekere te nemen.
Vanuit deze reflexen willen professionals het kind niet beperken maar willen ze juist het beste voor het kind en daarbij niemand teleurstellen. Het blijft daarom waardevol om samen te onderzoeken: Is dit mijn angst? Mijn ervaring? Of is dit wat dit kind nu echt nodig heeft?
Bij Humankind geloven we dat kinderen van nature nieuwsgierig zijn. Ze willen de wereld ontdekken, op hun eigen manier en in hun eigen tempo. Daarom creëren we een omgeving waar kinderen zich veilig en vrij voelen om te spelen, te proberen en te groeien. Met materialen die uitnodigen, professionals die met aandacht begeleiden en ruimte om echt tot spel te komen.
Vanuit die gedachte spraken onze beleidsmedewerkers Anna en José samen met pedagogisch professional Allard over wat ontdekken voor kinderen betekent, hoe zij dat doen en hoe volwassenen daarbij kunnen ondersteunen. Hun inzichten laten zien hoe wij bij Humankind kinderen elke dag helpen hun wereld groter te maken.
Leren gebeurt van binnenuit
Voor kinderen is ontdekken geen apart onderdeel van de dag, maar iets dat voortdurend plaatsvindt tijdens het spelen. Het is een vloeiende beweging waarin plezier, nieuwsgierigheid en onderzoek in elkaar overlopen. Kinderen hoeven niet te weten dat ze iets aan het leren zijn. Ze zijn vooral bezig met wat interessant is, grappig, spannend of mooi. ‘Spelen ís ontdekken’, vertelt Anna, en dat is precies wat professionals dagelijks zien.
Leren is daarbij geen zichtbaar product, maar een intern proces. Het gebeurt in het hoofd van het kind. We weten pas of een kind iets geleerd heeft wanneer dit later terug te zien is in gedrag. Bovendien leert ieder kind iets anders van dezelfde ervaring, omdat ieder kind de wereld op zijn eigen manier beleeft en betekenis geeft. Juist daarom is het zo waardevol dat kinderen rijke ervaringen opdoen. Van al deze ervaringen en de ruimte om te experimenteren, kunnen kinderen ontzettend veel leren. Kinderen ontdekken wanneer ze de vrijheid krijgen om in hun spel te blijven. Die ononderbroken ruimte zorgt ervoor dat ze durven proberen, fouten mogen maken en nieuwe richtingen inslaan. José ziet dit als een krachtig ontwikkelingsproces: kinderen die vanuit intrinsieke motivatie onderzoeken, zijn diep betrokken. Allard herkent dit bij peuters, die vaak zonder plan spelenderwijs verbanden leggen en hun eigen conclusies trekken.
Veiligheid als basis om te kunnen ontdekken
Om te kunnen ontdekken, experimenteren en risico’s te durven nemen, hebben kinderen veiligheid nodig. Die veiligheid zit niet alleen in fysieke bescherming, maar vooral in emotionele zekerheid: het vertrouwen dat er een volwassene nabij is, meedenkt en ondersteunt wanneer nodig. Pas wanneer een kind zich veilig voelt, durft het de wereld te verkennen.
Ouders en pedagogisch professionals spelen hierin een cruciale rol. Door voorspelbaar te zijn, sensitief te reageren en vertrouwen uit te stralen, geven zij kinderen de boodschap: jij mag ontdekken, ik ben er voor je. Vanuit die basis ontstaat ruimte om te experimenteren, grenzen te verkennen en nieuwe ervaringen op te doen.
Op een rustige donderdagochtend, vlak voordat de kring begint, zitten twee peuters bij de vertel-ontdekplek: een lage tafel met materialen uit het prentenboek van die week. ‘Dit is het huis van de beer’, zegt de een terwijl ze een dennenappel neerzet. De ander legt een kastanje ernaast en zegt er niets bij. De pedagogisch professional volgt het spel en sluit aan met een open vraag: ‘Wie zouden er nog meer in het bos wonen?’
Daarnaast bevat de Taalhoek materialen voor letterherkenning en taalspellen, zorgvuldig geselecteerd zodat pedagogisch professionals met de kinderen aan alle ontwikkeldoelen van taal kunnen werken. Elke activiteit draagt bij aan betekenisvolle taalontwikkeling. Maar Taalrijk gaat verder dan inrichting. Danina legt uit: ‘We willen dat taal uitgroeit tot iets wat je samen beleeft, niet iets wat je aanbiedt. Daarom krijgen alle pedagogisch professionals van Kibeo in nieuwe trainingen inspiratie en ideeën om taal op een speelse en bewuste manier te stimuleren. Maar taalontwikkeling gebeurt natuurlijk niet alleen op de groep, thuis speelt een minstens even grote rol. Daarom is ouderbetrokkenheid een vast onderdeel van Taalrijk.’
Taalrijk voor thuis
Om die doorgaande lijn tussen opvang en thuis te versterken, krijgt Taalrijk ook een plek buiten de groep. Op elke vestiging komt een uitleenkast bij de ingang, gevuld met boeken in verschillende thuistalen, prentenboeken die ook op de groep worden gebruikt én materialen die taalspel thuis stimuleren. Danina: ‘Wanneer ouders thuis een boek in de thuistaal voorlezen en datzelfde boek op de groep in het Nederlands terugkeert, ontstaat een krachtige koppeling tussen beide taalwerelden. Zo versterken thuis en opvang elkaar.’
In de kinderopvang staat ontwikkeling centraal. Pedagogisch medewerkers begeleiden kinderen dagelijks in hun spel, relaties en leerervaringen. Daarbij ligt de aandacht vaak op zichtbaar gedrag: wat kinderen doen, zeggen en laten zien. Talentgericht werken vraagt om een ruimere blik.
Talentgericht kijken, praten en begeleiden nodigt pedagogisch professionals uit om verder te kijken dan gedrag alleen en oog te hebben voor wie een kind is en waar het kind energie van krijgt. Juist daar liggen de talenten die bijdragen aan welbevinden, veerkracht en een positieve ontwikkeling.
Talenten als zaadjes
Talenten kunnen worden gezien als zaadjes die ieder kind bij de geboorte al met zich meedraagt. Deze metafoor maakt duidelijk dat talent geen vaststaand gegeven is, maar iets dat zich kan ontwikkelen wanneer de omstandigheden gunstig zijn. Net als zaadjes hebben talenten aandacht, vertrouwen, veiligheid en ruimte nodig om te groeien (Pronk & Busschots, 2018).
Voor pedagogisch professionals betekent dit dat talentontwikkeling geen extra taak betreft, maar onderdeel vormt van het dagelijks werk. Door kinderen een veilige omgeving te bieden waarin zij zichzelf mogen zijn, ontstaat ruimte om talenten tot uiting te laten komen. Sommige talenten groeien snel, andere hebben meer tijd nodig. Dat vraagt om geduld, vertrouwen en een open blik.
Kijken onder het wateroppervlak
Talentgericht werken wordt vaak uitgelegd met de metafoor van de ijsberg. Het gedrag dat we zien – spelen, praten, reageren – is slechts het topje boven water. Onder het wateroppervlak bevinden zich diepere lagen zoals motivatie, interesses, betrokkenheid, voorkeuren en persoonlijke kwaliteiten (Dewulf, 2021). Pronk en Busschots (2018) benadrukken dat juist daar het echte talent te vinden valt.
Een kind dat graag tekent of cadeautjes inpakt, laat glimmende ogen zien tijdens deze activiteit. Het talent zit echter niet in de activiteit zelf, maar in wat dit zegt over het kind: creativiteit, zorgvuldigheid, doorzettingsvermogen of plezier halen uit iets moois maken voor een ander. Voor pp’ers betekent dit dat observeren alleen niet volstaat. Talentgericht werken vraagt om verdiepend kijken en nieuwsgierige vragen te blijven stellen, oftewel: achter het gedrag kijken dat een kind laat zien.
Pedagogisch professional Angela is zich rot geschrokken. Sem (2) was ineens verdwenen. Rond 18.00 uur. Vijftien minuten lang zocht ze met kloppend hart door het hele gebouw. In paniek belt ze de moeder van Sem, Cecilia, die gehaast opneemt vanuit de auto
‘Hou het kort, ik zit in een call.’
‘Wat? Maar waar is Sem?!’
‘Die zit hier bij mij achterin. Ik heb hem net opgehaald. Het ging even snel, want ik zat toen al in die call.’
‘Dit kan echt niet.’ Angela schiet uit haar slof en schrikt van haar eigen felheid.
Cecilia reageert begripvol. ‘Oké,’ zegt ze meteen, ‘dit zal niet meer gebeuren.’
Druk, druk, druk
Angela voelt een golf van opluchting, maar er is ook frustratie; hoe kan Cecilia haar zoon meenemen zonder contact met Angela of haar collega’s? Op de locatie waar Angela werkt, is dit helaas geen incident. Veel ouders hebben het druk. Ze komen binnen met één hand aan de kinderwagen, de andere op hun telefoon, het hoofd bij alles, behalve het hier en nu. Er zijn gelukkig ook ouders die wél even de tijd nemen voor een praatje of een korte terugblik op de dag. Maar soms ook niet. Dan worden kinderen ’s ochtends in allerijl gedropt met een snelle ‘geen bijzonderheden’, terwijl datzelfde kind huilerig en onrustig de groep op komt. Op maandagen valt bovendien op dat kinderen extra moe zijn omdat ze moeten bijkomen van een weekend vol activiteiten.
Nadat ik ruim tien jaar in de kinderopvang had gewerkt, kreeg ik de kans om aan de slag te gaan als projectleider bij Natuurhub Amsterdam. Een organisatie die Amsterdammers, groot en klein, verbindt met natuur.
Er was niet veel natuuraanbod voor peuters in de stad. Of een kind de kans kreeg buiten te ontdekken hing vaak af van een pedagogisch professional met groene vingers, of van een organisatie die echt hierin investeert. Maar dat zijn eerder uitzonderingen dan regel. Natuurlijk waren er wel themaweken. In de lente werden bloembolletjes de groep ingehaald, er worden boeken voorgelezen en knutselwerkjes gemaakt rondom het seizoen. Maar echt beleven en zelf ontdekken, dat zat er voor veel peuters niet in. Veel buitenspeelplekken zijn betegeld. Als peuters geluk hebben, kunnen ze nog in een zandbak spelen zonder kattenpoep, maar in de plassen op het plein mag je niet komen! Zo zonde. Want buiten valt zóveel te ontdekken. Dat moest anders.
Een setting om te ontdekken
Ik besloot een project te beginnen om structureel natuuraanbod voor peuters te realiseren: ‘Natuurpeuters’. Ik vond een partner in crime in Mirjam van Klink. Vanuit haar organisatie De ‘Toren van Klinker’ verzorgde zij al jaren natuurbelevingsactiviteiten met kinderen. We begonnen op de speeltuinen van SPIN in Amsterdam-Noord en schreven alle kinderopvangorganisaties in de wijk aan. Elke woensdagmiddag een uur natuur beleven op een groene plek in de buurt. Wie doet er mee? De reacties waren enthousiast. Mirjam en ik bedachten de activiteiten samen. Maar we maakten geen kant en klare programma’s. In plaats daarvan creëerden we een setting, een sfeer, waarin de kinderen konden ontdekken. In elke speeltuin en op elke dag kreeg de activiteit een andere invulling, afhankelijk van het weer, wat er te vinden viel en waar de nieuwsgierigheid van de peuters naartoe ging.
Wat wel vaststond is dat we elke activiteit begonnen met inspirerende materialen. We probeerden de hoofden en harten van de kinderen te openen en gaven ruimte aan hun ervaringen en ideeën. Hierbij maakten we gebruik van inzichten rondom de voorbereide omgeving, zoals beschreven door Sabine Plamper en Annet Weterings in het boek Begrijpen met je handen, en de ‘TalkingTubs’ van Claire Warden.
De voorbereide omgeving
De voorbereide omgeving is een soort mini-tentoonstelling die dient als beginpunt van je activiteit. Het is een uitnodiging om te kijken, te voelen en te ontdekken. Dit hoeft helemaal niet ingewikkeld te zijn. Denk aan een placemat met takken en stukken dood hout waar pissebedden onder zitten, met een loep erbij. Of een grote emmer met slootwater naast een emmer met kraanwater.
Talking tubs
In een talking tub zit een variatie aan materialen die passen bij een onderwerp dat je als begeleider wil introduceren, of waarvan je weet dat het aansluit bij de interesse van de kinderen. Dit idee is gebaseerd op het inzicht dat kinderen vaak een prikkel nodig hebben om hun denkproces op gang te brengen. Je nodigt kinderen uit tot denken en praten en zintuigelijk ontdekken.
In onze samenleving lijkt er soms nog steeds één ideaalbeeld te bestaan voor ‘het gezin’. Reclames tonen vaak een vader, een moeder en twee kinderen om een beeld van warmte en harmonie uit te stralen. Maar de werkelijkheid is stukken gevarieerder dan dat.
Kinderen in Nederland groeien op in talloze verschillende woonvormen: bij biologische ouders, in pleeggezinnen, gezinshuizen of binnen complexe gezinssituaties waarin ziekte, beperkingen of psychische problematiek een rol spelen. Het begrip ‘normaal gezin’ is achterhaald. Wat werkelijk telt is niet de vorm van het gezin, maar de kwaliteit van de verbinding die het kind daarin ervaart. In dit artikel verkennen we wat kinderen écht nodig hebben om zich veilig en liefdevol te kunnen ontwikkelen, mede aan de hand van het pedagogische boek Huisje in mijn hart.
De kern van ontwikkeling: een veilige basis
Ieder kind verlangt ernaar gezien, gehoord en geliefd te worden. Een stabiele, voorspelbare omgeving vormt de bodem waarop een kind kan groeien. Als sociaal pedagoog zie ik dagelijks hoe krachtig de natuurlijke ontwikkelingsdrang van kinderen is, zolang hun basisbehoeften worden vervuld.
Wanneer een kind zich veilig voelt, kan het vanuit vertrouwen leren, ontdekken en groeien. Ontbreekt die veiligheid, dan richt de aandacht zich noodgedwongen op overleven. Er ontstaan blokkades: et kind past zich aan, ontwikkelt coping mechanismen en leert dat veiligheid niet vanzelfsprekend is. Deze mechanismen beschermen op korte termijn, maar belemmeren de vrije ontwikkeling op lange termijn. Een veilig gezin in welke vorm dan ook is daarom geen luxe, maar een noodzaak. ‘Voor mij is het belangrijk dat mijn pleegkinderen zich geaccepteerd voelen om wie ze zijn. Ik probeer ze niet te veranderen, alleen te ondersteunen bij hun ontwikkeling naar zelfstandigheid. Een veilige basis betekent voor mij: structuur, regelmaat, veel liefde en aandacht en ook grenzen stellen’, aldus Huub, pleegvader van vier kinderen van 22, 16, 9 en 7 jaar oud.
Liefde kent vele woonvormen
Kinderen groeien op in uiteenlopende leefomgevingen. Soms bij hun biologische ouder(s), maar geregeld ook in andere constellaties: in pleeggezinnen wanneer ouders tijdelijk of langdurig niet voor hun kind kunnen zorgen; in gezinshuizen waar echtparen, familieleden of betrokken professionals een stabiele thuishaven bieden; of in meer kwetsbare situaties, bijvoorbeeld wanneer ouders kampen met psychische problemen of wanneer een kind langdurig in het ziekenhuis verblijft.
De samenleving verandert en daarmee ook de gezinsvormen waarin kinderen opgroeien. In al deze vormen van opgroeien is één constante van doorslaggevend belang: de kwaliteit van de relatie tussen het kind en de opvoeder. Niet de bloedband bepaalt de veiligheid, maar een ervaring dat ze gezien, gedragen en onvoorwaardelijk geaccepteerd worden.
Zelf ben ik opgegroeid in een pleeggezin. Wat mij als kind heeft beschermd, was het gevoel dat mijn omgeving zowel mijn woonsituatie als mij als persoon volledig accepteerde. Natuurlijk waren er vragen, maar over het algemeen voelde ik me nooit alsof ik anders was of alsof ik me moest verantwoorden voor mijn achtergrond. Dat kwam vooral doordat leerkrachten en andere ouders mij benaderden zoals ieder ander kind, zonder stigmatiserende of pijnlijknieuwsgierige vragen. De vragen gingen nooit over mijn biologische ouders, voor mij een belangrijke grens. Ondanks dat zij niet voor mij konden zorgen, voelde ik liefde voor hen. Ze zijn en blijven mijn ouders. Ik wilde niet gedwongen worden om negatief over hen te spreken of vragen te beantwoorden die me in die richting duwden. Deze ervaring heeft mij geleerd hoe krachtig acceptatie is. Een kind dat niet steeds hoeft uit te leggen waarom zijn leven eruitziet zoals het eruitziet, krijgt de ruimte om gewoon kind te zijn.
Op een regenachtige ochtend stapt een peuter bij onze peutergroep naar buiten. Ze zet haar laarsjes op een natte houten plank en blijft abrupt staan. ‘Hij glimt’, zegt ze zacht. Ze strijkt met haar hand over het hout. ‘En hij is koud.’
In dat kleine moment, op die natte plank, gebeurt precies waar dit artikel over gaat: ontdekken. Ontdekken door te voelen, te vergelijken, te proberen. En vooral: ontdekken met materiaal dat écht is.
In de kinderopvang hebben we elke dag kansen om kinderen een stukje wereld in handen te geven. Niet in de vorm van plastic speelgoed dat altijd hetzelfde blijft, maar in de vorm van natuurlijke en duurzame materialen die variëren, verrassen en je uitnodigen om je eigen plek in deze wereld te leren kennen.
Natuurlijk materiaal
Natuurlijke materialen zijn eerlijk en hebben een eigen karakter. Hout voelt warm, maar niet altijd hetzelfde. Een stokje kan glad of ruw zijn. Stenen zijn zwaar of juist verrassend licht. Wol kriebelt soms een beetje.
Kinderen leren door te doen, door te voelen, door hun zintuigen volledig te gebruiken. Ze onderzoeken de eigenschappen van de wereld niet met woorden, maar met hun hele lichaam. Door natuurlijke materialen aan te bieden, geven we ze de mogelijkheid om begrippen echt te begrijpen: warm – koud, zacht – hard, zwaar – licht, stevig – buigzaam.
Kinderen ontdekken door het materiaal ook hun eigen positie in de wereld. Waar komt dat hout eigenlijk vandaan? Waarom verandert het als het nat wordt? En waarom vind je het ene moment kastanjes buiten en het andere moment niet?
Dat is ontdekken op twee niveaus: wat het materiaal doet, én hoe het verbonden is met iets groters. We willen kinderen graag onze eigen referenties meegeven. Een speeltelefoon met bliepjes en plaatjes, een pop die precies lijkt op iets wat wij kennen. Maar deze kaders laten weinig ruimte voor echt ontdekken.
Kinderen leren juist wanneer ze hun eigen verhaal kunnen maken. Een simpel houten plankje werkt nog prima als telefoon wanneer ze in een fantasiespel of ontdekkingsfase zitten. Het is niet het object dat telt, maar de ideeën, het spel en de nieuwsgierigheid die eruit ontstaan. Het kind ontdekt hoe iets kan zijn, niet hoe het moet zijn.
Trend
Duurzaamheid is geen trend, maar een houding. Natuurlijk materiaal heeft een heel proces doorlopen voor je het in je handen hebt. Als iets stuk is, kun je het vaak ook nog repareren. Als iets vies is, was je het af. Materiaal dat iets mankeert is vaak nog ergens anders goed voor.
Duurzaamheid betekent ook dat je kinderen leert om met aandacht met materialen om te gaan. Een stenen kopje kan breken als je er te wild mee speelt, en een houten poppetje krijgt een deuk als je ermee gooit. Dat is zonde, en het laat zien dat materialen zorg nodig hebben. Natuurlijk materiaal vraagt om verbinding en aandacht. Zo geven we kinderen een open blik en een duurzame houding mee. Kinderen hoeven niet te leren dat de wereld bijzonder is. Ze weten dat al. Wij hoeven alleen de tijd en het materiaal aan te reiken waarin die verwondering kan groeien.