Als pedagogisch professionals handelen we vrijwel altijd met een goede intentie. We willen dat kinderen zich veilig voelen, zichzelf ontwikkelen, leren omgaan met anderen en ontdekken wat wel en niet kan. Daarmee raken we precies aan de vier pedagogische basisdoelen van Riksen-Walraven: emotionele veiligheid, persoonlijke competentie, sociale competentie en het overdragen van normen en waarden.
Maar in de dagelijkse praktijk gebeurt er soms iets anders. Want tussen wat we bedoelen en wat een kind ervaart, kan een verschil ontstaan. Niet omdat we het verkeerd doen, maar omdat kinderen onze reactie soms anders ervaren dan bedoeld. Juist in die kleine momenten wordt zichtbaar hoe pedagogische intenties uitpakken in de praktijk.
Wat kinderen ervaren
Wat wij bedoelen, kan door een kind heel anders worden ervaren. We kunnen bijvoorbeeld denken dat we een kind helpen, beschermen of begeleiden. Maar een kind kan datzelfde moment ervaren als controle, twijfel of overname. Dat betekent niet dat de intentie verkeerd is, maar wel dat het pedagogisch effect soms anders uitpakt dan bedoeld.
De vier pedagogische basisdoelen van Riksen-Walraven helpen om naar deze momenten te kijken. Niet als checklist, maar als richting: komt wat kinderen van onze reacties leren eigenlijk overeen met wat we bedoelen en belangrijk vinden voor hun ontwikkeling?
Als veiligheid afhankelijkheid wordt
Een peuter die net nieuw is op de groep komt tijdens het buitenspelen nog niet tot spel. Hij kijkt naar de andere kinderen, loopt steeds terug naar de professional en zoekt haar blik. De professional geeft hem een hand en zegt: ‘Kom maar lekker bij me staan.’ De intentie is duidelijk: emotionele veiligheid bieden. Toch kan het effect anders uitpakken. Wanneer een kind steeds dicht bij de professional blijft, krijgt het minder ruimte om zelf op ontdekking te gaan. Het kind ervaart veiligheid dan vooral in de nabijheid van de volwassene, en minder in zichzelf of in de omgeving. Het kind kan zo gaan denken dat het de wereld niet zonder de volwassene kan of mag verkennen.
Emotionele veiligheid gaat niet alleen over nabijheid, maar ook over het opbouwen van vertrouwen: in de omgeving én in het eigen kunnen. Juist door kleine stapjes van afstand en zelfstandigheid leert een kind dat de wereld veilig genoeg is om te ontdekken ook zonder directe nabijheid van de volwassene.
Wanneer helpen ontwikkelen in de weg staat
Een kind probeert zijn jas dicht te maken. Het trekt aan de rits, kijkt even naar de professional en probeert het opnieuw. De rits schiet scheef en blijft halverwege steken. De professional ziet het, stapt naar voren, pakt de rits over en maakt de jas dicht. De intentie: helpen en frustratie voorkomen. Maar wat gebeurt er in dat moment? Het kind hoeft niet meer te zoeken naar hoe het lukt.