In onze samenleving lijkt er soms nog steeds één ideaalbeeld te bestaan voor ‘het gezin’. Reclames tonen vaak een vader, een moeder en twee kinderen om een beeld van warmte en harmonie uit te stralen. Maar de werkelijkheid is stukken gevarieerder dan dat.
Kinderen in Nederland groeien op in talloze verschillende woonvormen: bij biologische ouders, in pleeggezinnen, gezinshuizen of binnen complexe gezinssituaties waarin ziekte, beperkingen of psychische problematiek een rol spelen. Het begrip ‘normaal gezin’ is achterhaald. Wat werkelijk telt is niet de vorm van het gezin, maar de kwaliteit van de verbinding die het kind daarin ervaart. In dit artikel verkennen we wat kinderen écht nodig hebben om zich veilig en liefdevol te kunnen ontwikkelen, mede aan de hand van het pedagogische boek Huisje in mijn hart.
De kern van ontwikkeling: een veilige basis
Ieder kind verlangt ernaar gezien, gehoord en geliefd te worden. Een stabiele, voorspelbare omgeving vormt de bodem waarop een kind kan groeien. Als sociaal pedagoog zie ik dagelijks hoe krachtig de natuurlijke ontwikkelingsdrang van kinderen is, zolang hun basisbehoeften worden vervuld.
Wanneer een kind zich veilig voelt, kan het vanuit vertrouwen leren, ontdekken en groeien. Ontbreekt die veiligheid, dan richt de aandacht zich noodgedwongen op overleven. Er ontstaan blokkades: et kind past zich aan, ontwikkelt coping mechanismen en leert dat veiligheid niet vanzelfsprekend is. Deze mechanismen beschermen op korte termijn, maar belemmeren de vrije ontwikkeling op lange termijn. Een veilig gezin in welke vorm dan ook is daarom geen luxe, maar een noodzaak. ‘Voor mij is het belangrijk dat mijn pleegkinderen zich geaccepteerd voelen om wie ze zijn. Ik probeer ze niet te veranderen, alleen te ondersteunen bij hun ontwikkeling naar zelfstandigheid. Een veilige basis betekent voor mij: structuur, regelmaat, veel liefde en aandacht en ook grenzen stellen’, aldus Huub, pleegvader van vier kinderen van 22, 16, 9 en 7 jaar oud.
Liefde kent vele woonvormen
Kinderen groeien op in uiteenlopende leefomgevingen. Soms bij hun biologische ouder(s), maar geregeld ook in andere constellaties: in pleeggezinnen wanneer ouders tijdelijk of langdurig niet voor hun kind kunnen zorgen; in gezinshuizen waar echtparen, familieleden of betrokken professionals een stabiele thuishaven bieden; of in meer kwetsbare situaties, bijvoorbeeld wanneer ouders kampen met psychische problemen of wanneer een kind langdurig in het ziekenhuis verblijft.
De samenleving verandert en daarmee ook de gezinsvormen waarin kinderen opgroeien. In al deze vormen van opgroeien is één constante van doorslaggevend belang: de kwaliteit van de relatie tussen het kind en de opvoeder. Niet de bloedband bepaalt de veiligheid, maar een ervaring dat ze gezien, gedragen en onvoorwaardelijk geaccepteerd worden.
Zelf ben ik opgegroeid in een pleeggezin. Wat mij als kind heeft beschermd, was het gevoel dat mijn omgeving zowel mijn woonsituatie als mij als persoon volledig accepteerde. Natuurlijk waren er vragen, maar over het algemeen voelde ik me nooit alsof ik anders was of alsof ik me moest verantwoorden voor mijn achtergrond. Dat kwam vooral doordat leerkrachten en andere ouders mij benaderden zoals ieder ander kind, zonder stigmatiserende of pijnlijknieuwsgierige vragen. De vragen gingen nooit over mijn biologische ouders, voor mij een belangrijke grens. Ondanks dat zij niet voor mij konden zorgen, voelde ik liefde voor hen. Ze zijn en blijven mijn ouders. Ik wilde niet gedwongen worden om negatief over hen te spreken of vragen te beantwoorden die me in die richting duwden. Deze ervaring heeft mij geleerd hoe krachtig acceptatie is. Een kind dat niet steeds hoeft uit te leggen waarom zijn leven eruitziet zoals het eruitziet, krijgt de ruimte om gewoon kind te zijn.