Ik stap een voorschool binnen, een paar dagen na een verontrustend belletje van een locatiemanager. Ze zegt dat ze het eigenlijk niet hardop mag zeggen, want het is niet aan haar om zoiets vast te stellen, maar het is echt waar: er lopen vijf ADHD’ers rond. Dan gaan bij mij meteen alle alarmbellen af. Óf we hebben het hier over een kans van één op een miljard (ik heb het niet uitgerekend, maar het klinkt goed), óf er is iets anders aan de hand.
Het is 8:50 uur wanneer ik de groep op loop. Ik groet de pedagogisch professionals, die amper doorhebben dat ik er ben, en verdwijn in een hoek om te observeren. Wat zijn ze hard aan het werk. Het zweet staat op hun voorhoofd en ze staan geen moment stil: van de ene hoek naar de andere, en maar corrigeren en aansturen. Het vrije spel oogt allesbehalve ontspannen. Niet voor de professionals, en ook niet voor de kinderen.
Lange minuten aan tafel
Om 9:00 uur klinkt het opruim-liedje en gaan de kinderen naar de kring. Het is 9:15 uur voordat iedereen zit; een paar kinderen rennen dan nog rond (de vermoedelijke ADHD’ers uit het telefoongesprek). Door alle onderbrekingen duurt de kring twintig minuten. Daarna aan tafel voor het fruitmoment, waar de kinderen nog eens drieëntwintig minuten moeten zitten. De eersten zijn na zeven minuten al klaar, en ik hoef niet te vertellen wie dat zijn. Dan volgen er nog zestien lange minuten aan tafel, het liefst enigszins stil. Als het tijd is om naar buiten te gaan, rennen de kinderen als koeien die de hele winter binnen hebben gestaan de deur uit. Ze springen en gillen, alles komt eruit.
De kind-bril
Oververhit komen twee professionals naast me staan. ‘Zo, je hebt het wel gezien, denk ik? Dit is geen doen.’ Ik erken dat ik ze ontzettend hard heb zien werken en dat het er pittig uitziet. En dan ontstaat het spanningsveld dat ik inmiddels goed ken.
Professionals kijken en praten op zo’n moment vaak vanuit wat Bert Wienen de kind-bril noemt. Ze verklaren de situatie vanuit problematiek die in het kind zou zitten. Er worden labels geplakt, bijna altijd ingeleid met: ‘Ik weet dat ik het niet mag zeggen, maar dit is echt...’ (ADHD, in dit geval). Dat verhaal is belangrijk om te ontvangen. De fout die we vroeger maakten, was eroverheen blazen en meteen naar de context kijken. Dan voelt een professional zich niet gehoord en staat diegene zodoende niet open voor wat ik te zeggen heb. We spreken uit ervaring. En laten we eerlijk zijn: kindgerelateerde problematiek kán een hypothese zijn. Het doel is niet om die van tafel te vegen, maar om te onderzoeken wat dit kind, of deze kinderen, in deze situatie kan helpen.
De context-bril
Daarvoor introduceren we de context-bril. De vraag wordt dan: wat zegt het gedrag van het kind eigenlijk over onze context? En welke aanpassingen kunnen we daarin maken? We zeggen in onze trainingen altijd: het kind ga je niet veranderen, de context wel.