Samen spelen, samen delen?

Samen spelen, samen delen?

Productgroep KIDDO 02 2026
3,95
Gratis voor abonnees.

Omschrijving

Een veel voorkomende zin die je vaak hoort bij het begeleiden van spelende kinderen is: ‘Samen spelen, samen delen.’ Maar is dit wel een realistische verwachting? En hoe zou het eigenlijk voor ons, volwassenen zijn om iets te moeten delen?

Stel je eens voor. Je houdt enorm van lezen en zit helemaal in je lievelingsboek. Je bent net bij een spannend stuk aangekomen op bladzijde 58. Dan komt je zus erbij. Zij wil ook graag lezen, in hetzelfde boek. Alleen… zij is nog bij bladzijde 13. Je zus pakt het boek vast en voor je het weet, houden jullie allebei stevig het boek vast. Dan komt je moeder binnen en zegt: ‘Samen lezen, samen delen.’ Hoe voelt dit? Lukt het om echt samen te lezen als je allebei op een andere bladzijde zit? Waarschijnlijk niet. Sterker nog, de kans is groot dat je je gefrustreerd voelt. Je was ergens in verdiept, en dat wordt ineens onderbroken. Niet omdat jij klaar was, maar omdat iemand anders ook iets wil. En dit is precies wat bij jonge kinderen wel vaker gebeurt.

Niet zo zwart-wit
Wanneer een kind ergens mee speelt, is het vaak volledig betrokken. Het zit in zijn eigen spel, in zijn eigen onderzoek en in zijn eigen (denk)proces. Als een ander kind het speelgoed afpakt of er moet worden gedeeld, wordt dit proces abrupt onderbroken. Wat wij dan ‘leren delen’ noemen, voelt voor het kind vaak als: iets kwijtraken waarmee je nog bezig was. Wat betekent dit voor ons als pedagogisch professionals? Moeten we altijd ingrijpen? Moeten we juist niets doen? Of verwachten we dat kinderen dit kunnen oplossen?
Het antwoord is niet zo zwart-wit. Want wat een kind nodig heeft in deze situaties, hangt sterk samen met de fase waarin het zich ontwikkelt. Wat voor het ene kind helpend is, kan voor het andere kind juist verwarrend of zelfs onveilig voelen. Er bestaan namelijk drie verschillende ontwikkelingsfases, waarin een eigen aanpak nodig is.

Baby’s en jonge dreumesen
Als het goed is hebben we als doel dat een kind zijn eigen problemen leert oplossen, zijn eigen emoties leert reguleren en zich leert inleven in anderen. Met deze ideeën in ons achterhoofd kunnen we ons verbindend pedagogisch handelen afstemmen op iedere ontwikkelingsfase. Laten we beginnen bij de baby’s en jonge dreumesen. Wat goed is om te weten, is dat de allerkleinsten spelen met het materiaal dat ‘toevallig’ voorhanden is. Ze bewegen door de ruimte, komen iets tegen en gaan daarmee spelen. Soms komen ze elkaar tegen, nemen ze iets uit elkaars handen en spelen vervolgens rustig verder.
Wat je vaak ziet, is dat de allerkleinsten niet onder de indruk zijn als een ander kindje iets afneemt. Ze schuiven gewoon door naar het volgende dat ze tegenkomen. Het is belangrijk dat wij op deze momenten geen probleem maken van iets dat voor het kind geen probleem vormt. Waar wij, als volwassenen, menen dat iets onder de noemer ‘afpakken’ valt, beleven deze jonge kinderen dat helemaal niet zo. Sterker nog: wij kunnen een probleem laten ontstaan dat er zonder onze bemoeienis nooit zou zijn geweest.

Ondertitelen
Maar dan, vaak rond de 14 maanden, zie je iets veranderen. Wanneer er nu iets wordt afgenomen, speelt het kind niet meer rustig verder. Er ontstaat een nieuw bewustzijn: dit had ik net, en nu ben ik het kwijt. Je kunt dit ook goed terugzien in het gezicht van een kind. En precies dán is het belangrijk om in actie te komen. Niet zozeer met daden, maar vooral met woorden. Ondertitel wat er gebeurt, en sta stil bij de belevingswereld van het kind: ‘Jij had de bal net in je handen. Toen nam Max hem uit jouw handen, en nu loopt hij naar de andere ballen. Volgens mij wilde jij de bal nog graag vasthouden.’
Soms kijkt een kind naar zijn handen of wijst naar het andere kind. Je kunt dit bevestigen door te herhalen: ‘Ja, jij had de bal net in je handen. En daar loopt Max, hij heeft de bal nu.’ Op deze manier sluit je aan bij de beleving van het kind. Begeleiden in oplossingen vinden De oudere dreumesen en peuters spelen veel gerichter. Ze bouwen een toren of een treinspoor. Als er dan een ander kind komt en iets wegneemt, lukt het niet meer om hun project af te maken. Op zo’n moment is enige begeleiding bij het vinden van een oplossing belangrijk.