Peuters kunnen ons veel leren over buitenruimte, aandacht en duurzame kinderopvang. Wat volwassenen zien als veilig, overzichtelijk en efficiënt sluit niet vanzelf aan bij wat kinderen lichamelijk, zintuiglijk en cognitief nodig hebben. Kinderen willen wroeten, zelf ontdekken.
De buitenruimte rond kinderopvang en scholen is de afgelopen decennia ingrijpend veranderd. Waar buitenspelen ooit vanzelf verweven was met het dagelijks leven, is het nu vaak gereduceerd tot een functionele onderbreking van het binnenprogramma. Deze ontwikkeling weerspiegelt een cultuur waarin controle, veiligheid en efficiëntie leidend zijn. Tegelijk groeit het besef dat een dergelijke inrichting niet vanzelf bijdraagt aan gezonde ontwikkeling en diepe leerervaringen.
Dit spanningsveld vraagt om een herwaardering van de buitenruimte, niet als decor of pauzeplek, maar als pedagogische ruimte. Een groene, natuurrijke buitenomgeving biedt kinderen de mogelijkheid om met hun zintuigen te onderzoeken, hun lichaam te ervaren en verwondering te ontwikkelen. Hier ontstaat aandacht en groeit de relatie tussen kind en wereld. De groene buitenruimte is daarmee een pedagogische basis.
We zijn niet simpelweg natuur kwijtgeraakt, we zijn een relatie kwijtgeraakt. Ooit was natuur verweven met het dagelijks leven: op het erf, in de straat, in de moestuin en aan de bosrand. Spel, dagelijks leven en werk liepen in elkaar over.
Kinderen deden mee en ontdekten al doende hoe de wereld functioneert. De pedagogische opgave van vandaag is niet nostalgisch terugkeren, maar gaat om het herstellen van de relatie tussen kinderen en hun leefomgeving. Natuur is geen achtergrond voor onze activiteiten, het is een levende context waarin ontwikkeling plaatsvindt.
Rijke leeromgevingen
Al in de negentiende eeuw zag Friedrich Fröbel de tuin als een plek van ordening, zorg en groei. Wie met kinderen tuiniert merkt hoe de tijd vertraagt. Groei laat zich namelijk niet versnellen. Zaden ontkiemen, of niet, en slakken eten wat net > geplant is. Seizoenen leggen ons een ritme op.
In deze ervaringen ligt pedagogiek besloten. Kinderen ontdekken afhankelijkheid, leren wachten en omgaan met teleurstelling en leren zorgdragen voor wat kwetsbaar is. Groei en verval maken wederkerigheid zichtbaar: leven vraagt aandacht van ons. Onderzoek naar schooltuinen laat zien dat dit rijke leeromgevingen zijn waarin taal, rekenen en denken vanzelf ontstaan. Leren wordt betekenisvol omdat het ergens over gaat.
Juist in deze pedagogische betekenis ligt een sleutel voor de duurzaamheidsopgave. Duurzaamheid gaat niet alleen over CO2-reductie, maar bijvoorbeeld ook over een goed binnenklimaat en hoe mensen zich verhouden tot hun leefomgeving.
Verduurzaming
In 2025 is de sectorale routekaart verduurzaming kinderopvang gepubliceerd, die inzicht geeft in de huidige situatie in de sector én fungeert als kompas om met gerichte ondersteuning stappen te zetten in de verduurzamingsopgave. Vanuit de maatschappelijke betrokkenheid van de kinderopvang zijn er in de sectorale routekaart meerdere duurzaamheidsthema’s beschreven. Om echt voor vandaag én morgen impact te maken, is een brede aanpak van de opgave nodig. De sectorale routekaart benadrukt naast energiebesparing en gezonde gebouwen ook vergroening van buitenruimtes, gedrag en bewustwording. De ambitie van de routekaart is dat in de sector in 2040 minimaal 75 procent van de buitenruimte uit natuurlijke elementen bestaat. Dat is een erkenning dat vergroening geen esthetische keuze is, maar een pedagogische en maatschappelijke verantwoordelijkheid.