De kinderopvang is professioneler geworden en dat heeft een hoop goeds gebracht, zoals meer aandacht voor ontwikkelkansen en een rijke leeromgeving. Tegelijk schuilt daarin het risico dat ontwikkeling iets wordt wat voortdurend gestimuleerd moet worden.
Op mijn crèche in de jaren tachtig aan de Nieuwmarkt in Amsterdam stond een spiegel op tafel waarvoor ik mezelf mocht schminken. Dat werd geen schattig vlindertje dat een crèche-leidster op mijn wang schilderde. Als ik mijn ogen dichtdoe kan ik nog de kwast op mijn huid voelen. Op warme dagen speelde ik buiten met water in de grote tuin. Naakt. De crècheeigenaar had daar een houten brug gebouwd van sloophout, waarin de namen van alle kinderen stonden gekerfd. Trots haalde ik mijn vingers over de letters van mijn naam.
Het was geen anti-autoritaire crèche waar peuters met een hamer en wasco volledig hun eigen dagprogramma samenstelden. De crèche-leiders gaven naast ruimte en liefdevolle aandacht ook grenzen. Er was structuur én veel ruimte voor vrij spel. Geen kleurenklok die zei dat het tijd was voor het volgende ontwikkelingsgerichte aanbod. We mochten ons vrij buiten de kaders van een speelkleedje bevinden.
Hoe nostalgisch ik ook terugkijk, die vrijheid van toen komt niet meer terug. Tegenwoordig hebben kinderen in onze veeleisende, drukke tijd behoefte aan vrije ruimte. ‘Geef me de ruimte, want ik moet al zoveel’, lijken ze met hun onrustige gedrag te zeggen.
Niet alleen het kind is druk
Een drukke dag. Een druk hoofd. Een druk lijf. Een druk kind. We kunnen bijna niet meer zonder het woord druk. Iedereen heeft een volle agenda, kinderen net zo goed. Hun dagen zitten vol met leuke en leerzame activiteiten. Laten we voorzichtig zijn met kinderen ‘druk’ noemen, terwijl hun omgeving en programma nog veel drukker zijn. Moeder Anaia vertelt dat haar dochter Luz (3), sinds ze drie dagen naar de peuteropvang gaat, onrustig thuiskomt. Ze huilt sneller, wordt boos om kleine dingen en wil ineens overal bij geholpen worden. Op haar vrije dag wil Anaia graag met haar naar peuterzwemmen, maar vaak loopt Luz al vast bij het aankleden. Dan gooit ze haar schoenen weg, kruipt op schoot en lijkt met haar hele lijf te zeggen: vandaag even niet. Anaia vraagt zich af of drie dagen peuteropvang, met alle prikkels en het educatieve aanbod, wellicht te veel voor haar is.
Ontwikkeling hoeft niet voortdurend aangejaagd te worden
In alle drukte pleit ik voor een kinderopvang en bso die bovenal een veilige haven bieden waar kinderen tot spel én rust kunnen komen. Meer is niet altijd beter. Een peuter die met een ander kind onderhandelt over de rode schep, oefent waarschijnlijk al behoorlijk wat burgerschap. Een term waar beleidmakers prat op gaan. Speelse avonturen ontstaan lang niet altijd uit een creatieve opdracht die volwassenen hebben bedacht en netjes in het pedagogisch plan past. Kinderen gaan vaak pas echt op avontuur wanneer volwassenen niet bovenop hun spel zitten. Laatst keek ik bewonderend toe bij Ravi, een jonge kleuter op de bso. Hij dwarrelde wat door de groep, keek hier, speelde daar en trok weer verder. Lisa, zijn mentor, keek van een afstandje naar zijn verkenningstocht. ‘Ik verwacht nu nog weinig van hem, als hij de tijd en ruimte krijgt zal hij vanzelf landen.’ Mooi dat vertrouwen.