In veel groepen klinkt de wens dat jonge kinderen, als ze eenmaal zijn begonnen, ook direct vlot meedoen, ontdekken, spelen en zich ontwikkelen. Maar wanneer komt die ontwikkeling eigenlijk op gang?
In een tweejarig traject volgde ik jonge kinderen die vanaf hun eerste dag instroomden in VVE-groepen. Wat opviel, was dat kinderen gemiddeld ongeveer twintig weken nodig hadden voordat hun ontwikkeling zichtbaar in beweging kwam. De vaak genoemde acht tot tien weken wennen blijken dus pas het eerste begin. In die eerste periode bouwen kinderen aan herkenning: het dagritme leren herkennen, vertrouwd raken met de professionals, de andere kinderen en de groepsruimte. Ontwikkeling begint niet bij activiteiten of aanbod. Ontwikkeling begint bij veiligheid. Wanneer een kind zich gezien en gedragen voelt, komt nieuwsgierigheid vanzelf op gang.
Het fundament van veiligheid
Veiligheid is een woord dat we snel gebruiken, maar het omvat veel meer dan gezelligheid of het ontbreken van fysiek gevaar. Voor jonge kinderen betekent veiligheid dat hun lichaam, hart en gedachten kunnen ontspannen, omdat ze ervaren dat de omgeving voorspelbaar, warm en betrouwbaar is. Dat vraagt om volwassenen die niet alleen aanwezig zijn, maar ook emotioneel beschikbaar. Dat betekent werkelijk in contact zijn met het kind, met aandacht, rust en afstemming. Het is het vermogen om het kind te zien zoals het is, met alles wat het op dat moment met zich meebrengt: plezier, nieuwsgierigheid, twijfel, vermoeidheid, verdriet of behoefte aan nabijheid. In die nabijheid leert het kind dat het mag leunen. Dat het welkom is zoals het is. Die ervaring vormt het fundament van veiligheid.
Veiligheid ontstaat bewust: door een voorspelbaar dagritme, vaste gezichten, herhaalde rituelen en routines; en door gevoelens te verwoorden en responsief te reageren. Wanneer wij zien wat een kind probeert te vertellen en daarop aansluiten, daalt de spanning. Het lichaam ontspant, de ademhaling wordt rustiger en de blik opent zich.
Voor kinderen die meer spanning of kwetsbaarheid meedragen, is deze basis nog essentiëler. De kwaliteit van de dagelijkse interacties bepaalt dan of een kind zich kan hechten aan de groep en of het durft te bewegen in het onbekende. Het is niet de hoeveelheid activiteiten die ontwikkeling brengt, maar de betekenisvolle relaties die we met kinderen opbouwen.
Wat er gebeurt in de landingsperiode
Beginnen op een groep is een grote overgang. Een nieuw ritme, nieuwe volwassenen, kinderen met andere energieën en een ruimte vol geluid en beweging. Het zenuwstelsel van een kind reageert daarop met alertheid. Het kind kijkt, luistert, scant, zoekt houvast. Zolang het nog niet weet: “Ben ik hier veilig? Wordt er voor mij gezorgd? Hoor ik hier?”, blijft het brein gericht op bescherming. Er is dan nog weinig ruimte voor vrij spel, ontdekken en taal.