Er is een beeld dat mij de afgelopen jaren steeds vaker helpt om mijn eigen leren te duiden: de leerkuil. Dat moment waarop je voelt dat je iets (nog) niet weet. Dat je vastloopt. En toch weet ik inmiddels: precies dáár begint leren.
In opvang en onderwijs werken we elke dag aan de ontwikkeling van kinderen. We stimuleren hun nieuwsgierigheid, dagen hen uit en creëren een omgeving waarin fouten maken mag. We zeggen tegen hen: proberen hoort erbij, leren mag schuren.
Maar hoe geloofwaardig zijn we als we zelf die leerkuil liever vermijden? Vastlopen levert het ongemakkelijke, soms knagende gevoel van onzekerheid – of zelfs frustratie – op. Het zijn geen prettige momenten. Maar ik weet dat leren kan beginnen als je handelingsverlegen bent.
Voor mij is een onderzoekende houding daarom geen luxe, maar een absolute voorwaarde voor goed vakmanschap. Voor leerkrachten. Voor pedagogisch professionals. Voor leidinggevenden. En ja, zeker ook voor bestuurders. Onze hele sector draait om ontwikkeling. Dan vraagt dat om professionals die zelf ook zichtbaar blijven leren. Die het niet-weten niet zien als falen, maar als een startpunt. Die durven toegeven dat ze het even niet scherp hebben – en daar nieuwsgierig naar worden.
Vakmanschap als werkwoord
Binnen onze organisatie spreken we over de contextbewuste, reflectieve en onderzoekende professional als beroepsbeeld. Voor mij is dat geen functietitel of eindstation, maar een werkwoord. Vakmanschap is niet iets wat je bereikt en vervolgens bezit. Het is iets wat je elke dag opnieuw beoefent.
Contextbewust werken betekent dat je begrijpt waar je werkt: de geschiedenis, de dynamiek, de mensen en de maatschappelijke context. Reflectief werken betekent dat je jezelf vragen blijft stellen: wat deed ik, waarom deed ik dat, en wat was het effect? En onderzoekend werken betekent dat je bij twijfel niet dichtklapt, maar juist opengaat. Dat je een vraag formuleert in plaats van een oordeel.
Werken aan vakmanschap houdt nooit op. Sterker nog, ik vind dat we dat als professionele verantwoordelijkheid moeten zien. Niet als iets wat ‘ernaast’ komt, maar als een wezenlijk onderdeel van ons dagelijks werk. Dat vraagt tijd en ruimte voor reflectie. Het vraagt dat we collega’s bevragen, casuïstiek bespreken in expertteams en onze vragen verbinden aan bestaande kennis. Bijvoorbeeld via de Kennisrotonde, waar wetenschappelijke inzichten gekoppeld worden aan concrete praktijkvragen.