De kinderopvang staat aan de vooravond van de grootste stelselwijziging in jaren. Bijna gratis opvang, directe financiering, een sector die – volgens Brusselse normen – ‘stabiel gefinancierd’ moet worden als dienst van algemeen economisch belang (DAEB). Maar terwijl Den Haag en Brussel hun hokjes tekenen, voert de branche een ander gevecht.
In de kinderopvang woedt een emotioneel gevecht. Een gevecht over identiteit. Over wie ‘goed’ is en wie ‘fout’. En eerlijk, dat gevecht is niet alleen kinderachtig. Het is ronduit schadelijk. Want het leidt af van waar het over zou moeten gaan: het kind. De sector noemt zichzelf moreel, maar gedraagt zich tribaal.
In de discussies worden commerciële kinderopvangondernemers graag weggezet als ‘geldwolven’. Alsof winst automatisch betekent dat je het kind minder serieus neemt. Alsof een stichting per definitie warmere ogen heeft dan een BV. Dat is geen analyse, dat is framing. En het is lui. DAEB slecht idee De realiteit is dat eigendomsvormen allerlei effecten kunnen hebben, zowel positief als negatief. Er zijn onderzoekers en analyses die juist laten zien dat commercieel eigendom óók kan leiden tot professionalisering, schaalvoordelen en betere naleving, maar óók risico’s kent zoals prijsdruk en consolidatie.
En er zijn studies die de marktstructuur van kinderopvang (inclusief private equity en verschillende eigendomsvormen) feitelijk in kaart brengen, in plaats van moraliserend wat te roepen. Met andere woorden: je kunt prima kritisch zijn op prikkels in een markt, maar stop met doen alsof ‘commercieel’ een karakterfout is.
Een kinderopvangorganisatie wordt niet slecht omdat er ergens een aandeelhouder is. Een kinderopvangorganisatie wordt slecht als de basis niet op orde is: pedagogische kwaliteit, veiligheid, continuïteit, menselijkheid op de groep. En er een bestuur is dat marketing boven marketing kwaliteit zet.
De overheid zegt: we gaan het geld rechtstreeks betalen, dus dat is staatssteun, dus hebben we DAEB nodig. Daarbij hoort een pakket aan voorwaarden, zoals scheiding van DAEB- en niet-DAEB-activiteiten, administratieve schotten. Definities die ‘later’ via lagere regelgeving worden uitgewerkt.
Dat laatste is precies waarom ik DAEB een slecht idee vind: de kern is niet ‘publiek geld beschermen’ (dat is legitiem), maar de methode. En die methode is: bureaucratie, controle en een definitiemachine die de sector jarenlang gaat gijzelen. We krijgen een stelsel waarin een jurist en een accountant belangrijker worden dan een pedagogisch coach. Dat is geen toekomstvisie, dat is een compliance-industrie.