Op het bureau van iedere bestuurder in de kinderopvang stapelt zich een dossier op dat zelden hardop wordt besproken: de opleidingencatalogus met legio mogelijkheden. Tel alles bij elkaar op en je zou denken dat we de best opgeleide sector van Nederland zijn. Dat is niet zo.
Het wordt tijd dat we erkennen waarom. We hebben opleiding verward met certificering. Twee dagen babyspecialist. Een middag meldcode. Een webinar interactievaardigheden. Een e‑learning AVG. Een intervisiesessie van negentig minuten met vooraf ingevulde reflectievragen. De vierde herhaling BHV. En, voor wie het écht serieus neemt: een mbo pedagogisch werk, een associate degree of een hbo‑bachelor pedagogiek.
We tellen badges in plaats van bekwaamheid. Langs een onhandige omweg via de Wet IKK, de cao Kinderopvang en de verzameleisen van GGD en SBB is een opleidingsindustrie opgetuigd die zichzelf in stand houdt door volume, niet door inhoud.
Het opleidingsbudget van een gemiddelde organisatie gaat voor het overgrote deel naar verplichte trainingen die met pedagogiek nauwelijks van doen hebben: BHV, EHBO‑K, meldcode, AVG, signaleren kindermishandeling. Allemaal nuttig. Allemaal nodig. En allemaal samen: een papieren muur waar het eigenlijke werk moeizaam doorheen breekt.
Curriculum
Het is verleidelijk om de hogeschool of het mbo als eerste de schuld te geven. Ze staan vooraan in de lijn, en hun afgestudeerden komen rauwer op de groep dan we zouden willen. Toch is dat te kort door de bocht. De school maakt het curriculum niet zelf: het mbo werkt binnen het SBB‑kwalificatiedossier pedagogisch werk, het hbo binnen het landelijk opleidingsprofiel pedagogiek van de gezamenlijke hogescholen.
Wat daarin staat is geen autonome keuze van een docent of een curriculumcommissie. Het is een uitkomst van wat het werkveld, de cao‑tafel, de inspectie en de wetgever de afgelopen vijftien jaar als ‘voldoende’ zijn gaan definiëren. En dat is, eerlijk gezegd, gevaarlijk weinig.
Commerciële opleiders
Wie als praktijkbegeleider regelmatig startende pedagogisch professionals ontvangt, kent het patroon. Het diploma is een toegangskaartje, geen vakbewijs. Over hechtingstheorie kan men iets terugroepen, maar zelden iets toepassen. Over veiligheid kent men de protocollen, niet de redenen erachter.
Voor het mbo geldt dit met nog grotere nadruk: een diploma pedagogisch werk geeft toegang tot het werk met de jongste kinderen in de samenleving, maar garandeert nauwelijks meer dan dat de bezitter wist hoe het kwalificatiedossier moest worden doorlopen.
Daar bovenop is een commerciële opleidersmarkt gegroeid die het probleem niet oplost, maar er handig aan verdient. Wie het aanbod beziet, ziet vooral één belofte: snelheid. Babyopleiding in vijf dagen. Babyspecialist‑ certificering in twee. Pedagogisch coach in zes dagdelen. De boodschap is steeds dezelfde: je bent snel klaar, wij zijn snel betaald, niemand ondergaat enig diepgaand ongemak. De pedagogisch professional levert haar werkgever een certificaat, de inspectie vinkt af. Het is pseudo‑vakmanschap. Vorm zonder tijd. Iedereen blij. Behalve de baby.
Hetzelfde gebeurt met intervisie. Ooit een beroepsmatige spiegel waarin collega’s elkaar bevragen op handelen en oordeel. Inmiddels in te veel organisaties gedegradeerd tot een agenda‑item van negentig minuten met een vooraf gedrukte hand-out. Er is een methodiek, een formulier, een coach. En vooral: er is een aantekening dat het is gebeurd, want anders haalt de pedagogisch beleidsmedewerker zijn jaaruren niet. Wat ontbreekt, is ‘reflective practice’, de bereidheid om in het ongemak te blijven zitten tot het werk zichzelf onthult. Dat past niet in een jaarplan. Dat laat zich slecht aftekenen op een aanwezigheidslijst.
Herijken
Wat in de kern gebeurt, is dat het hele opleidingsstelsel één stille afspraak heeft omarmd. Lever wat verplicht is, niet meer. Het mbo doet wat het kwalificatiedossier vraagt. De hogeschool doet wat het opleidingsprofiel vraagt. En de commerciële opleider doet wat een organisatie binnen haar budget kan inkopen. De inspecteur telt af wat aanwezig is. En de pedagogisch professional rondt af, het liefst snel, zodat zij door kan naar de volgende module. Niemand in deze keten heeft een eigenstandige opdracht om vakmanschap te leveren. En ondertussen staat op de groep een twintigjarige collega die formeel ‘gekwalificeerd’ is, drie certificaten op zak heeft, en die de eerste echte huilbui van een achttien maanden oude peuter behandelt alsof het een protocolitem is. Dat is geen kwaadwilligheid. Het is wat een systeem dat alleen vinkjes verlangt aan opbrengst genereert.