BBMP 02 2026

BBMP 02 2026

Omschrijving

4 Lessen uit Noorwegen
8 Kansen benutten met de bso
12 Onderzoek naar de bso
16 Samen bouwen aan een succesvol ikc
18 Onderzoek pedagogische coaching
22 Tweetalig Casa
26 Regie pakken bij je gemeente
30 Samen groeien in baby-expertise
32 Praten over de dood met jonge kinderen
36 Dagelijks gezond op de groep
44 Wetenschap > Thomas van Huizen
Het EVENING-onderzoek
 
En verder
19 De Jurist > Martin van der Linden
Ziekteverzuim
20 De Marketeer > Marieke Effting
Laat onderzoek niet verdwijnen
39 De Voorzitter > Karen Streng
BBMP 02 2026 (complete uitgave)

BBMP 02 2026 (complete uitgave)

4 Lessen uit Noorwegen
8 Kansen benutten met de bso
12 Onderzoek naar de bso
16 Samen bouwen aan een succesvol ikc
18 Onderzoek pedagogische coaching
22 Tweetalig Casa
26 Regie pakken bij je gemeente
30 Samen groeien in baby-expertise
32 Praten over de dood met jonge kinderen
36 Dagelijks gezond op de groep
44 Wetenschap > Thomas van Huizen
Het EVENING-onderzoek
 
En verder:
19 De Jurist > Martin van der Linden
Ziekteverzuim
20 De Marketeer > Marieke Effting
Laat onderzoek niet verdwijnen
39 De Voorzitter > Karen Streng
Meer info
17,95
Dagelijks gezond op de groep

Dagelijks gezond op de groep

Een gezonde kinderopvang draagt bij aan een gezonde ontwikkeling van kinderen en kenmerkt zich door een omgeving waarin bewegen en gezonde voeding structureel zijn ingebed in het dagelijks aanbod. Gezondheid is daarbij onderdeel van het pedagogisch beleid én van de dagelijkse routines op de groep.

Kinderen bewegen tegenwoordig minder dan vroeger. Zo blijkt uit onderzoek dat er veel inactiviteit is bij 0-4-jarigen in de Nederlandse kinderopvang. Volgens het RIVM voldeed in 2023 ruim 55 procent van de kinderen van 4-11 jaar niet aan de beweegrichtlijnen. Bovendien lijkt een kwart van de 0-4-jarigen in de winter niet dagelijks buiten te komen.
Gezonde kinderopvang betekent daarom dat kinderen gedurende de dag meerdere momenten krijgen om actief te bewegen, zowel binnen als buiten, waarbij langdurig stilzitten zo veel mogelijk wordt beperkt. Bewegen wordt niet alleen gezien als vrij spel, maar ook als middel om de motorische, sociale en cognitieve ontwikkeling te stimuleren, zoals samenwerken, zelfdiscipline en het helpen van anderen.

Door de motorische ontwikkeling al vroeg te bevorderen, hoeven kinderen hier in het onderwijs minder bij geholpen te worden (bijvoorbeeld bij het dichtdoen van jassen of het strikken van veters), wat ten goede komt aan de speeltijd en de sociale interactie. Daarmee wordt ook de sociaal-emotionele ontwikkeling gestimuleerd.
Wetenschappelijke inzichten laten zien dat jonge kinderen vooral meer bewegen wanneer beweging een vanzelfsprekend onderdeel is van de dagelijkse routines en niet wordt aangeboden als een los moment op de dag. Pedagogisch professionals spelen hierin een belangrijke rol door beweging actief te stimuleren, samen met kinderen te bewegen en spel uit te lokken in plaats van te sturen. Het blijkt dat kinderen meer en intensiever bewegen wanneer pedagogisch professionals positief voorbeeldgedrag laten zien en bewegingskansen bewust benutten, zoals tijdens overgangen of opruimmomenten. Ook regelmatig buitenspelen, ongeacht het weer, draagt aantoonbaar bij aan een hoger beweegniveau bij jonge kinderen.

Voeding
Naast bewegen, speelt gezonde voeding en drinken een belangrijke rol binnen een gezonde kinderopvang. Kinderen krijgen op vaste momenten gezonde producten aangeboden, zoals fruit en groenten, waarbij water de standaard dorstlesser is. Gezonde voeding voorziet kinderen van de energie en voedingsstoffen die zij nodig hebben voor hun groei en ontwikkeling. Door kinderen al op jonge leeftijd in aanraking te brengen met gezonde voedingskeuzes, ontwikkelen zij spelenderwijs gezonde eetgewoonten. Ook de manier waarop voeding wordt aangeboden is van belang: pedagogisch professionals vervullen hierin een voorbeeldfunctie en stimuleren gezond eten.

Meer info
4,95
De Jurist >  Ziekteverzuim

De Jurist > Ziekteverzuim

Ziekteverzuim is geen formulier. Toch doen we alsof. Voor veel organisaties is de arbodienst inmiddels verworden tot wat je een dossierverwerker zou kunnen noemen. Niet omdat de professionals het niet beter willen, maar omdat het systeem er zo uitziet.

En het systeem is: rendement op volume, doorlooptijd als verdienmodel, en te weinig bedrijfsartsen om überhaupt nog maatwerk te leveren. Arbodiensten lijken soms meer op incassobureaus dan op een medisch-professionele partner. Een incassobureau is uitstekend in het beheren van grote aantallen dossiers. Maar als je er een complex, menselijk probleem neerlegt, krijg je zelden een doorbraak. Je krijgt vooral stappen, brieven en wachttijden. En laat dat nu precies zijn wat verzuim niet nodig heeft.

Marginaal
Het resultaat herkennen we allemaal. De casus wordt geen verhaal meer, maar een ticket. De aandacht per medewerker is marginaal, contactmomenten zijn kort, en het voelt alsof niemand echt verantwoordelijk is voor een streep in het zand. Er is altijd een volgende afspraak, een volgende evaluatie, een volgende standaardvraag. Zelden is er een helder besluit: dit is de richting, dit is het tempo, dit zijn de voorwaarden. Zolang alles ‘in behandeling’ blijft, staat ook de werkvloer in de wachtstand. Roosters worden omheen gebouwd, teams raken overbelast, en de medewerker die thuis zit, leert vooral één ding: tijd werkt in mijn voordeel.
Dat klinkt cynisch. Toch is het menselijk. Als een proces voorspelbaar is, gaan mensen zich voorspelbaar gedragen. Medewerkers kennen het klappen van  de zweep. Ze weten hoe de route loopt, welke taal veilig is, welke termen een consult verlengen, welke klachten lastig te falsifiëren zijn, maar ook lastig te weerleggen. Nogmaals, het is niet per definitie kwade wil. Het is rationeel gedrag in een systeem dat weinig beslismomenten kent. 

Ritueel
Daar komt iets bij wat we steeds normaler zijn gaan vinden: beoordelen op afstand. Kun je via Teams vaststellen of iemand ziek is? Natuurlijk, je kunt een prima gesprek voeren via een scherm. Maar je kunt ook minder waarnemen. Minder non-verbaal, minder context, minder frictie tussen ‘wat iemand zegt’ en ‘wat iemand kan’. En precies daar zit bij veel verzuimdossiers de kern. Niet of iemand een verhaal heeft, maar hoe belastbaarheid en herstel zich verhouden tot werk, ritme, verwachtingen en grenzen. Op afstand wordt verzuimbegeleiding sneller een administratief ritueel dan een professionele beoordeling.
En ondertussen werkt het tekort aan bedrijfsartsen als katalysator. Meer dossiers per arts betekent minder tijd per casus. Minder tijd betekent meer standaardisering en meer delegatie. Meer standaardisering betekent langere
doorlooptijden, want niemand durft echt te besluiten. En langere doorlooptijden betekenen… nóg meer dossiers in de pijplijn. Het is een file die zichzelf voedt.

Meer info
Gratis
De Marketeer > Laat onderzoek niet verdwijnen

De Marketeer > Laat onderzoek niet verdwijnen

Kinderopvangorganisaties besteden ieder jaar flinke bedragen aan onderzoek. Onderzoeken die waardevol zijn. Maar alleen als je vooraf bedenkt wat je ermee wilt bereiken – en wat je met de resultaten gaat doen.

Zeg eens eerlijk: hoeveel (markt)onderzoeken zijn er bij jou de afgelopen jaren in een la verdwenen? Onderzoek naar doelgroepen. Naar de behoeften van ouders. Naar kansen om medewerkers te werven in een krappe arbeidsmarkt. Probleem met veel onderzoeken is vaak dat het onduidelijk is wat je ermee wil bereiken en wil doen. Er verschijnt een rapport, het wordt besproken in een overleg en daarna verdwijnt het langzaam uit beeld.
Zonde van het geld. En zonde van de inzichten. Onderzoek kan namelijk veel meer zijn dan een momentopname. Het kan een kompas zijn dat richting geeft aan je keuzes.
Marketingonderzoek helpt bij het maken van keuzes. Je onderzoekt wie je doelgroep is, wat ouders en medewerkers belangrijk vinden, waar kansen liggen in jouw regio en hoe jouw doelgroep je organisatie ziet. Onderzoek laat je niet uitvoeren om rapporten te vullen, maar om betere beslissingen te nemen. Juist in de kinderopvang kan onderzoek veel opleveren. Niet alleen om nieuwe ouders aan te trekken, maar ook om de juiste ouders te bereiken, je bezetting beter te spreiden over de week en aantrekkelijker te worden als werkgever.

Doelgroeponderzoek
In de kinderopvang wordt nog relatief weinig gericht doelgroep- en behoefteonderzoek gedaan. Veel organisaties communiceren naar alle ouders tegelijk. Maar doelgroepen verschillen. Dat vraagt om gericht onderzoek en gerichte acties.
De ene ouder zoekt vooral flexibiliteit. De ander hecht meer waarde aan pedagogische verdieping. In de ene wijk wonen vooral tweeverdieners met vaste werkdagen, in de andere wijk juist ouders met wisselende roosters of zelfstandig ondernemers.
Als je dat niet scherp hebt, mis je kansen. Bijvoorbeeld om lege plekken op maandag en vrijdag beter te vullen. Of om een nieuw concept te ontwikkelen dat beter aansluit bij een specifieke groep ouders.
Doelgroep- en behoefteonderzoek helpt je om scherpere keuzes te maken. Je brengt in kaart wie je huidige klanten zijn, wie je graag zou willen aantrekken en waarom bepaalde groepen nu niet voor jou kiezen. Je ontdekt welke factoren voor ouders doorslaggevend zijn: sfeer, vaste gezichten, buitenruimte, tweetaligheid of juist rust en kleinschaligheid. Met die inzichten kun je je communicatie aanpassen en je aanbod aanscherpen.

Meer info
Gratis
De Voorzitter - Laat het ons gewoon doen!

De Voorzitter - Laat het ons gewoon doen!

Er wordt steeds meer ingezet op samenwerking in de wijk. Samen met het sociaal domein en het onderwijs – en vaak met de rest van het jeugddomein – werken we aan de pedagogische basis. Daar brengen we onze eigen expertise, kennis en ervaring in. Alleen samen creëer je wat die wijk, dat gezin en dat kind nodig hebben.

De erkenning voor preventief werken groeit. We weten inmiddels dat het niet effectief is om pas met 2,5 jaar in de voorschoolse educatie of op 4-jarige leeftijd in het onderwijs achterstanden te bestrijden. Alle koepels in het maatschappelijk middenveld beginnen dat in te zien.
Tegelijkertijd lopen we in de praktijk nog steeds aan tegen versnipperd beleid, gefragmenteerde financiering en strak afgebakende taken. Juist daarom begint de verandering in de praktijk, bij de professionals die iedere dag met de kinderen en gezinnen werken.
 
Vertrouwen
Het begint bij de professional die zijn of haar taken en verantwoordelijkheden kent en die samen met andere professionals oppakt. Zij zien de kinderen en de gezinnen, en kijken naar wat zijzelf nodig hebben om zich veilig te voelen en zich te ontwikkelen. Dat vraagt om vertrouwen en autonomie. Professionals moeten de ruimte krijgen om hun passie, vakkennis en betrokkenheid in te zetten voor die gezinnen. De kinderopvangprofessional mag zich daarin ook zelfverzekerder voelen. We hebben écht iets te brengen.
Dat vraagt ook iets van kinderopvangwerkgevers. Zij moeten het vakmanschap van hun professionals zien en erkennen, vertrouwen geven en ruimte bieden om te experimenteren. Zo kunnen professionals zich verder ontwikkelen. Dat hoeft niet in één keer perfect te gaan. Het is een proces om anders te werken en om te leren vertrouwen op de eigen expertise en die van collega’s.
Opvallend is dat professionals in de kinderopvang nog vaak individueel worden beoordeeld, bijvoorbeeld op pedagogische interactievaardigheden. Waarom kijken we niet vaker op teamniveau? Hoe functioneer je samen als team? Hoe vul je elkaar aan? In wijkteams is dat vanzelfsprekend: daar versterk je elkaar vanuit verschillende expertises en achtergronden. Die blik mogen we ook in de kinderopvang meer omarmen.

Gedeeld beleid
Maar hoe goed professionals en organisaties ook samenwerken, in de praktijk lopen we nog vaak tegen de grenzen van het systeem aan. De verschillende ministeries – SZW, OCW en VWS – kennen daarbij niet alleen een eigen systeem maar hebben ook ieder hun eigen agenda’s. Laten we zorgen voor een gezamenlijke werkagenda, zodat de koepels samen hun verantwoordelijkheid kunnen nemen.

Meer info
Gratis
Kansen benutten met de bso

Kansen benutten met de bso

Kansen benutten is de titel van het nieuwe advies van de Kinderopvangraad. Een advies over de betekenis van de buitenschoolse opvang (bso) voor kind, ouder en samenleving. De Kinderopvangraad formuleert een visie op de bso, onderzoekt waar de bso nu staat en wat er nodig is om de potentie van de bso beter te benutten.

De buitenschools opvang is een belangrijke plek waar kinderen na schooltijd (of tussen schooltijden door) tot verdere ontplooiing komen en hun eigen ruimte vinden. Een plek met een divers aanbod aan activiteiten. Er kan bijvoorbeeld gitaar of toneel gespeeld worden, gekookt, gesport, geschilderd, getimmerd, gedanst, buiten gespeeld of een fikkie worden gestookt. 
Kinderen kunnen aan deze begeleide activiteiten deelnemen, maar kunnen ook tafeltennissen met vrienden, chillen, een spelletje doen of een boek lezen. Kinderen zelf denken actief mee over de programmering. De professionals zorgen met hun expertise, kennis en ervaring daarbij voor een beredeneerd en doordacht aanbod. Zij zien wat kinderen van verschillende leeftijden nodig hebben, waar hun interesses liggen en welk aanbod daarbij past.

Geen verlengstuk
De bso is dus een gecreëerde vrijetijdsomgeving waar ruimte is voor ontspanning, experiment, ontmoeting en groei. Een omgeving waar álle kinderen zich veilig, vertrouwd en gezien voelen, zichzelf mogen zijn, anderen ontmoeten en zich in de volle breedte kunnen ontwikkelen. Zo leren ze zichzelf en de wereld beter kennen, oefenen met vriendschap en conflicten, met empathie, met samen spelen en samen leven.
Op de bso draait het niet alleen om leuke activiteiten, het draait bovenal om betekenisvolle ervaringen in een vrije tijdscontext. Juist in deze context kunnen kinderen op een andere manier dan op school en thuis opgroeien en gaandeweg meer zelfstandigheid krijgen. De bso is geen verlengstuk van de school, maar een aanvulling daarop. Een plek waar kinderen hun interesses ontdekken, waar hun talenten tot uitdrukking komen én waar kinderen graag naar toe gaan. De bso draagt bij aan burgerschapsvorming, aan sociale en emotionele vaardigheden en aan weerbaarheid in een complexe samenleving.

Meer info
4,95
Lessen uit Noorwegen

Lessen uit Noorwegen

De Nederlandse praktijk is mede weerbarstig omdat kinderopvang in Nederland voor een groot deel door commerciële partijen wordt aangeboden. Want hoe zorg je ervoor dat publieke middelen op de juiste manier worden ingezet en werkelijk ten goede komen aan kinderen en hun (werkende) ouders? Na het nodige denkwerk heeft de overheid voorgesteld om kinderopvang aan te wijzen als een dienst van algemeen economisch belang (DAEB).
Het argument is dat de overheid dan subsidies mag verstrekken aan private partijen zonder dat de EU begint te roepen dat hier sprake is van ongeoorloofde staatssteun. Ook zou dit besluit de risico’s voor de toegankelijkheid en doelmatigheid kunnen beperken. De aanwijzing als DAEB heeft derhalve zowel een buitenlandse als een binnenlandse betekenis.
Tegelijkertijd roept deze aanwijzing de nodige reacties op. Is dit wel echt nodig? Is dit niet een overbodige bureaucratische horde die al het ondernemende elan uit de sector perst? Er is nu al een tekort aan kinderopvangplaatsen. Als het onaantrekkelijk wordt om in deze markt te investeren vertaalt zich dat in langere wachtlijsten waar ook geen kind of ouder mee is geholpen.

Relevante ervaringen
Gelukkig hoeven we in dit geval het wiel niet helemaal opnieuw uit te vinden. Noorwegen was ons voor en deze ervaringen zijn voor ons relevant. Kinderopvang is in Noorwegen grotendeels publiek gefinancierd en wordt verzorgd door zowel publieke (gemeentelijke) als private (for-profit en non-profit) aanbieders. 
In 2020 bedroeg het marktaandeel van de private sector circa 50 procent. Wat zijn in Noorwegen de ervaringen met dit hybride stelsel en hoe wordt daar gewerkt aan een doelmatige besteding van de publieke middelen?
We gaan een stapje terug in de tijd.
Traditioneel is de kinderopvang in Noorwegen een taak van de gemeentelijke overheid. Vooral vanaf 1975 groeit de sector sterk, mede als gevolg van toenemende overheidssubsidies. Tot 2003 wordt de kinderopvangmarkt gedeeld door publieke en private non-profit aanbieders. For-profit kinderopvang speelt nagenoeg nog geen rol. Dat verandert in 2003. Aanleiding is vooral de groeiende politieke druk om te komen tot een universeel dekkend stelsel van kinderopvang.
Omdat dit een forse stijging van de capaciteit vergt, wordt besloten de investeringen in de kinderopvang flink op te schalen en for-profit aanbieders tot de markt toe te laten. Het model dat hierbij wordt gehanteerd is het zogeheten subsidiemodel: een for-profit onderneming heeft recht op subsidie, en kan zich dus als een kinderopvangaanbieder vestigen wanneer deze voldoet aan de relevante wet- en regelgeving.

Meer info
4,95
Onderzoek naar de bso

Onderzoek naar de bso

Partou en de Universiteit Utrecht startten in 2023 een langlopend (promotie)onderzoek naar de buitenschoolse opvang. De nadruk lag op internationaal onderzoek over de kracht van en voorwaarden voor een kwalitatief naschools aanbod. Wat kunnen we in Nederland hiervan leren?

Veel kinderen brengen een aanzienlijk deel van hun week door op de buitenschoolse opvang (bso). Toch is er in ons land, in vergelijking met de opvang voor 0-4-jarigen, nog relatief weinig onderzoek gedaan naar de pedagogische kwaliteit en het aanbod van de bso. Daarom is het belangrijk om systematisch in kaart te brengen van wat internationaal bekend is over de effectiviteit van naschoolse programma’s: welke opbrengsten laten zij zien en onder welke voorwaarden zijn zij succesvol? En wat zegt dat over de verdere ontwikkeling van een rijk en onderbouwd aanbod in de Nederlandse bso?
De landelijke kwaliteitsmonitor kinderopvang (LKK) laat zien dat de pedagogische kwaliteit in de bso gemiddeld achterblijft bij die van de dagopvang. Zo is er relatief weinig aandacht voor ontwikkelingsstimulering, voor groepsverbondenheid en voor interacties tussen kinderen (Romijn et al., 2024).

Daarnaast wordt in recente rapportages een verschraling van het activiteitenaanbod gesignaleerd, en als het gaat om welbevinden van kinderen in de bso zijn er grote verschillen zichtbaar tussen groepen (Slot et al., 2024). Op sommige groepen voelen kinderen zich duidelijk niet prettig. Het langlopende promotieonderzoek naar de bso vormt daarom een systematische zoektocht naar hoe we de bso beter kunnen benutten als rijke omgeving voor plezier, ontwikkeling en gelijke kansen.

Horizontale verbinding
Over de rol van de bso bestaat discussie: is het vooral vrije tijd en ontspanning, of hoort leren en ontwikkeling er ook bij? Veel professionals benadrukken dat de bso geen verlengstuk van school moet zijn. Juist doordat er geen vast curriculum is, ontstaat ruimte voor bijvoorbeeld creativiteit, spel en sociale interactie. Waar school meestal werkt met verticale leerlijnen per domein (zoals taal of rekenen), kan de bso verschillende ontwikkelgebieden als het ware horizontaal met elkaar verbinden door betekenisvolle activiteiten aan te bieden.

Een kookactiviteit laat dat goed zien: kinderen lezen een recept (taal), wegen ingrediënten af (rekenen), plannen en organiseren (executieve functies), werken samen (sociale vaardigheden) en ervaren succes wanneer het gerecht lukt (zelfvertrouwen). Ontwikkeling vindt dan niet plaats in losse vakjes, maar geïntegreerd en in de praktijk. Zo kan de bso een waardevolle aanvulling zijn op het leren op school.

Meer info
4,95
Onderzoek pedagogische coaching

Onderzoek pedagogische coaching

We weten nog weinig over de rol van de pedagogisch coach in de kinderopvang en hoe deze in Nederland wordt ingezet. Dat is reden voor onderzoek dat in 2026 wordt uitgevoerd, in opdracht van het Expertisecentrum Kinderopvang. 

De coach in de kinderopvang in Nederland is relatief nieuw. Sinds 2018 is deze via de Wet IKK verplicht voor alle kinderopvangaanbieders. De wettelijke richtlijn is het ‘het coachen van medewerkers in hun werkzaamheden’.
Coaching wordt in de kinderopvang ingezet om de (pedagogische) kwaliteit te verhogen en is onderdeel van de continue professionalisering van de medewerkers. Coaching biedt de mogelijkheid om verschillende elementen te integreren en aan te sluiten bij de professional: doorlopend leren, ingebed in de organisatie, praktijkgericht en het kan een gedifferentieerd aanbod mogelijk maken.
Maar coaching kent ook een grote vrijheid en de exacte invulling verschilt daardoor per organisatie. Welke thema’s staan centraal? Wat is de rol van de pedagogisch professional? Welke vaardigheden en opleiding heeft de coach? Welke technieken zet de coach in?

Samenwerking
Het huidige onderzoek is een samenwerking van de Universiteit en Hogeschool van Amsterdam (Ruben Fukkink), Universiteit Leiden (Harriet Vermeer) en de Universiteit Utrecht (Pauline Slot). Het onderzoek richt zich op de pedagogisch coach én de ervaringen van de pedagogisch professional.
Het onderzoek is gestart met een focusgroep in november 2025 met een aantal pedagogisch coaches werkzaam door heel Nederland. Op basis van literatuuronderzoek en de input vanuit de focusgroep is er in februari 2026 een landelijke vragenlijst uitgegaan voor pedagogisch coaches en een voor pedagogisch professionals.
In de vragenlijst voor de pedagogisch professional zijn een aantal onderdelen van de vragenlijst van de pedagogisch coach gespiegeld. Zo kunnen we de aanpak en de ervaring van de pedagogisch coach koppelen aan de ervaring van de pedagogisch professional.

Meer info
4,95
Praten over de dood met jonge kinderen

Praten over de dood met jonge kinderen

Tijdens mijn werk als pedagogisch professional op een peutergroep werd ik geconfronteerd met het overlijden van mijn vader. Na drie weken afwezigheid keerde ik weer terug op de groep. Op de eerste dag kreeg ik verschillende reacties van kinderen: ‘Ben je niet meer ziek?’ ‘Mama zei dat je op vakantie was.’ En als laatste: ‘Hé, jouw vader is dood.’
De laatste opmerking kwam onverwacht en raakte me meteen. Ik voelde me gezien. Dát was de reden dat ik er niet was geweest. Ik was helemaal niet op vakantie. Ik ging hierover in gesprek met mijn collega’s en vroeg wat er aan de kinderen was verteld en of er een gezamenlijk verhaal was afgesproken. Dat bleek er niet te zijn. Iedereen had ouders en kinderen iets anders verteld over mijn afwezigheid. Dat maakte me nieuwsgierig. Want hoe communiceer je eigenlijk met een peuter over de dood? Doe je dat wel? Of proberen we kinderen te beschermen door het onderwerp te vermijden?

Mini-maatschappij
Uit mijn literatuuronderzoek blijkt al snel dat praten over de dood met peuters niet alleen mogelijk is, maar ook belangrijk. Werken in de kinderopvang betekent immers meer dan alleen zorgen en oppassen. We zijn mede-opvoeders. De kinderopvang is een mini-maatschappij waarin kinderen kennismaken met normen, waarden en alles wat bij het leven hoort. Daar horen vreugdevolle momenten bij, maar ook verlies en verdriet.
De dood kan soms dichterbij zijn dan we denken. Bijvoorbeeld wanneer er op het speelplein een dode vogel ligt. Een pedagogisch professional zegt: ‘Oh kijk, een dode vogel.’ Het kind loopt naar de vogel en vraagt: ‘Wat is dood?’
Voor veel peuters staat de dood ver van hun dagelijkse leven. Toch komen zij er regelmatig mee in aanraking, bijvoorbeeld via televisie, eigen ervaringen of sprookjes. In verhalen komen mensen soms weer tot leven, en dat beeld nemen jonge kinderen mee.
Tussen 2 en 4 jaar lopen fantasie en werkelijkheid nog sterk door elkaar. Een peuter kan denken dat iemand slaapt of later weer terugkomt. Denk bijvoorbeeld aan het sprookje Doornroosje: waarom kan zij wel wakker gekust worden, maar opa niet? De dood wordt op deze leeftijd nog niet begrepen als iets definitiefs en onomkeerbaars.

Meer info
4,95
Regie pakken bij je gemeente

Regie pakken bij je gemeente

Of het nu gaat om huisvestingsplannen, subsidie of inspectie: het helpt om als kinderopvangorganisatie warme contacten te hebben met de gemeente. Maar hoe bouw je een netwerk op, en bij wie moet je zijn?

Over de omgang met de gemeente geeft strategisch adviseur communicatie Sybrig van Keep een workshop aan BDKO- leden. Ze neemt hen in één middag mee langs alle do’s en dont’s. ‘Waarom heet deze workshop eigenlijk “Werken met de gemeente” en niet “Samenwerken met de gemeente”?’, vraagt een van de aanwezigen zich af. Workshoptrainer Sybrig kijkt even naar haar presentatie. Samenwerken is een mooier woord, erkent ze. Maar tegelijk is het soms hard werken, weet ze uit eigen ervaring.
Sybrig vraagt de aanwezigen om na te denken over hun eigen samenwerking met de gemeente, maar start eerst met een treffend voorbeeld. Ooit wilde ze als strategisch adviseur bij een gemeente inspraak hebben tijdens een raadsvergadering over het bestemmingsplan voor een voetbalvereniging. Om het ludiek te maken, nam ze een groepje jeugdspelers van 12 tot 14 jaar mee, in tenue. ‘Maar die vergaderingen kunnen lang duren. Soms tot middernacht. Al na een paar minuten begonnen die kinderen met propjes te gooien, en we moesten nog heel lang wachten.’ Die fout zou ze nu niet meer maken. Een volgende keer zou ze vooraf vragen of zo’n inspraakmoment voor de voetbalvereniging aan het begin kan plaatsvinden. ‘Zodat die kinderen weer op tijd thuis zouden zijn.’ Precies daarom is het handig om te weten hoe de gemeente werkt en bij wie je dat zou kunnen regelen.

Wisselende ervaringen
Dan start Sybrig tijdens de workshop het voorstelrondje, en blijkt dat de ervaringen met de gemeente wisselend zijn. Sommige directeuren hebben korte lijntjes met de lokale wethouder, voor anderen verloopt het moeizamer. Omdat ambtenaren bijvoorbeeld snel wisselen of besluitvorming lang duurt. Het goede nieuws is: daar kun je wat aan doen. 
Sybrig bespreekt drie kernelementen die daarbij helpen. Zo is monitoring essentieel om goed op de hoogte te zijn van alle ontwikkelingen. Met een goede analyse en strategieontwikkeling kan de organisatie bepalen hoe ze zich gaat opstellen. En lobbyen en externe beïnvloeding richten zich op het overtuigen van de beslisser met standpunten en argumenten. Met dit laatste aan de slag gaan, heeft voor- en nadelen. Voordelen zijn onder meer de invloed die je kunt uitoefenen, het beschermen van je belangen en het bijdragen aan oplossingen. Nadelen zijn de tijd die het kost, het soms gedwongen sluiten van compromissen en het risico op reputatieschade.

Meer info
4,95
Samen bouwen aan een succesvol ikc

Samen bouwen aan een succesvol ikc

De vraag naar intensieve samenwerking tussen kinderopvang en onderwijs groeit snel. Maar wat willen scholen daar precies in? Partou en DUO-Onderwijs deden samen landelijk onderzoek onder bijna 500 schoolbestuurders en schoolleiders. De resultaten laten zien hoe waardevol een proactieve, gelijkwaardige partner is.

Steeds meer scholen zoeken een kinderopvangpartner die verder gaat dan alleen opvang. Ook Flossie van den Huysen en Angelique Wezenberg, ikc-managers bij Partou, zien de vraag naar een intensieve samenwerking de afgelopen jaren flink toenemen. ‘We worden vanuit het hele land steeds vaker gevraagd om mee te doen aan aanbestedingen voor ikc-ontwikkeling’, vertelt Angelique. ‘Maar ook bestuurders, schoolleiders en gemeenten zoeken actief de samenwerking.’ De aantrekkingskracht van een ikc is goed te begrijpen. Wanneer opvang en onderwijs samen optrekken, ontstaat een omgeving waarin kinderen zich veilig voelen en zich optimaal kunnen ontwikkelen. 
‘De doorlopende lijn in pedagogiek en begeleiding zorgt voor continuïteit en meer kansengelijkheid. Ouders ervaren gemak doordat opvang en onderwijs op één plek zitten en vanuit dezelfde visie werken’, legt Angelique uit. ‘Voor kinderen betekent het vooral rust en herkenning. Zij bewegen zich dagelijks in een vertrouwde omgeving met bekende gezichten.’

Landelijk onderzoek
Hoewel er al veel bekend is over de voordelen van ikc’s, wilde Partou beter begrijpen wat scholen zelf belangrijk vinden in de samenwerking met de kinderopvang. Welke kansen zien zij? Waar lopen ze tegenaan? En hoe willen ze samenwerken?
Flossie: ‘Om dat goed in beeld te krijgen, zochten we de samenwerking met DUO-Onderwijs. Zij hebben veel expertise op het gebied van opvang en onderwijs, een uitgebreid netwerk en ze beschikken over de juiste panels en een onderwijsdatabase om dit soort onderzoeken te doen. Precies wat we nodig hadden voor een landelijk onderzoek.’ De onderzoeksopzet werd samen ontwikkeld. Er kwamen twee monitoren, één voor schoolbestuurders en één voor schoolleiders. Met dezelfde thema’s, maar verschillende vragen. ‘We wilden meteen zien of perspectieven uiteenlopen’, legt Angelique uit. In het voorjaar van 2025 werd het onderzoek uitgezet. Bijna vijfhonderd respondenten uit het hele land deden mee, wat een representatief beeld opleverde.

Meer info
4,95
Samen groeien in baby-expertise

Samen groeien in baby-expertise

Hoewel de Wet IKK de basiskwaliteit op de babygroep waarborgt, vindt echte verdieping pas plaats op de werkvloer. Een verdiepende babytraining helpt je team om deze kennis ook blijvend toe te passen in de dagelijkse praktijk. Zo vertaal je het geleerde direct naar merkbaar betere zorg voor de allerkleinsten.

Veel organisaties merken dat er behoefte is aan een volgende stap na de Wet Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang (IKK). Willemijn van Grimbergen, directeur bedrijfsvoering van opleider Kans Kwadraat: ‘We hebben de afgelopen jaren ruim 16.000 pedagogisch professionals geschoold met de opleiding Baby’s in de kinderopvang.’
‘Nu zien we dat organisaties op zoek zijn hoe zij professionals van de babygroepen blijvend kunnen ondersteunen met trainingen. Ze willen verdiepen en samen afspraken maken over de werkwijze op de groepen. Juist daarom is verdieping nodig, dichtbij de praktijk, op de werkvloer.’ Willemijn vervolgt: ‘Er zijn verdiepende trainingen ontwikkeld over diverse thema’s, zoals taal, motoriek en spel, maar ook over inrichting van de ruimte of hersenontwikkeling. Wist je dat een babybrein letterlijk groeit door de kwaliteit van de interactie? Dit noemen we ook wel “serve and return”: de voortdurende wisselwerking tussen baby en professional.’
Wanneer een baby een signaal geeft via een blik of geluidje en daar een passende reactie op krijgt, worden er in het brein razendsnel nieuwe verbindingen aangemaakt. Je kunt dit proces zien als de motor achter de hersengroei. Door deze interacties op thema’s als taal en spel bewust te versterken, bouwen professionals mee aan een krachtig fundament voor elk kind. Zo wordt elk contactmoment op de groep een waardevolle kans voor groei.

Meer info
4,95
Tweetalig Casa

Tweetalig Casa

‘Gewoon doen wat logisch is’ en richtlijnen van de wereldwijde Association Montessori Internationale (AMI). Twee rode draden in het levenswerk van Tessa Wessels, medeoprichter en directeur van de tweetalige Montessorischool Casa in Pijnacker. Rode draden die garant staan voor constante vernieuwing en de nodige uitdagingen.

Tessa Wessels is geboren in Zuid-Afrika. Daar rondde ze haar studie tot leerkracht af en in Amerika deed ze daarna de AMI Montessoriopleiding. ‘Vervolgens ben ik naar Nederland gegaan. Dat was nogal een overgang qua werk, ondanks dat ik direct weer aan de slag ging in het Montessorionderwijs. In Amerika bieden we kinderen een leef- en leeromgeving, hier draait het meer om onderwijsopbrengsten.’

Nieuwe opzet
Vanuit haar Amerikaanse ervaring met lesgeven aan kinderen vanaf 3 jaar start ze in 1999 hier een peutergroep bij een Montessorischool. ‘Volgens de Nederlandse regels is die voor kinderen van 2 tot 4 jaar en is onderwijs bedoeld voor kinderen vanaf 4 jaar. Maar Maria Montessori stelt dat driejarigen zich intensief op hun omgeving beginnen te richten en zo de wereld en de mensen om hen heen ontdekken. Die behoefte moet je ondersteunen.’ ‘Onze peutergroep is voor één- tot driejarigen en in onze onderbouw zitten kinderen van 3 tot 6 jaar. Als kinderen van verschillende leeftijden bij elkaar zijn, ontwikkelen de jongsten hun vaardigheden sneller en verloopt hun zoektocht naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid beter.’
‘Gelukkig kende onze gemeente een vve-project. We hebben voor onze driejarigen een afzonderlijke groep ingericht met eigen vierkante meters en eigen begeleiders, maar zonder muren naar de ruimten van de vier- en vijfjarigen. Dat is mijn eerste gewonnen uitdaging.’ Er volgen er meer. ‘Sinds schooljaar 2011/2012 werken we volgens een volledig geïntegreerd model waarin opvang en onderwijs samensmelten tot een doorlopende leeromgeving. Kinderen kunnen zich in hun eigen tempo en op basis van hun interesses ontwikkelen.
Daarbij lopen we tegen muren aan die voortkomen uit de twee stelsels van opvang en onderwijs, met hun eigen regels, cao’s, inspecties en geldstromen.’ ‘Daarom bestaat Casa uit twee stichtingen, Casa School en Casa Opvang, met ieder hun eigen financiën zoals de wetgever dat van ons verlangt. Voor de kinderen, hun ouders en onze professionals zijn we één organisatie met een gezamenlijke missie, visie en ambitie.

Meer info
4,95
Wetenschap > Het EVENING-onderzoek

Wetenschap > Het EVENING-onderzoek

Extra investeringen in voorschoolse educatie versterken de brede ontwikkeling van doelgroeppeuters. Internationale literatuur laat zien dat voorschoolse educatie positieve effecten kan hebben op de ontwikkeling van kinderen en ook later in het leven kan leiden tot betere onderwijsprestaties, minder criminaliteit en betere arbeidsmarktkansen.

Ongelijke kansen zijn al op jonge leeftijd zichtbaar. Waar je wieg staat bepaalt voor een belangrijk deel je ontwikkelkansen. Tijdens de schoolperiode worden de verschillen niet of nauwelijks kleiner, kansenongelijkheid is dus hardnekkig. Zeker in de eerste jaren na de geboorte speelt de omgeving een grote rol in de ontwikkeling van kinderen.
Kinderen die minder gestimuleerd worden in hun omgeving, bijvoorbeeld omdat er minder rijke interacties plaatsvinden, of omdat ouders meer stress ervaren vanwege financiële problemen, lopen vaker achter in hun ontwikkeling. Deze kinderen lopen een risico op een onderwijsachterstand. Om de kansengelijkheid van kinderen te vergroten investeert de Nederlandse overheid sinds 2020 structureel zo’n 170 miljoen euro extra in het aanbod en de kwaliteit van voorschoolse educatie voor kinderen met een risico op onderwijsachterstand. Hebben peuters baat gehad bij deze extra investeringen? Deze vraag staat centraal in het EVENING-project.

EVENING-project
In 2019 is het grootschalige en langlopende onderzoeksproject EVENING van start gegaan. EVENING staat voor ‘effectstudie voorschoolse educatie, een natuurlijk experiment in Nederlandse gemeenten’. EVENING (een vorm van het Engelse to even) verwijst naar het doel van voorschoolse educatie: het vergroten van kansengelijkheid. Het onderzoek is uitgevoerd door een multidisciplinair team van de Universiteit Utrecht en Sardes en maakt deel uit van een breed monitorings- en beleidsevaluatieprogramma opgesteld door het ministerie van OCW om het onderwijsachterstandenbeleid te evalueren. Het EVENING-project evalueert twee landelijke beleidsmaatregelen in de voorschoolse educatie:
• Sinds 1 augustus 2020 zijn gemeenten verplicht om kinderen met een vve-indicatie 960 uur voorschoolse educatie te bieden tussen de leeftijd van 2,5 en 4 jaar. In de praktijk komt dit vaak neer op 16 uur per week tijdens de schoolweken. Dit is een toename van 60 procent: voor augustus 2020 was een aanbod van 600 uur (10 uur per week) verplicht.
• Sinds 1 januari 2022 geldt een landelijke norm voor de inzet van pedagogisch beleidsmedewerkers/coaches in de voorschoolse educatie. De norm betreft een minimumaantal uren per jaar, dat bepaald wordt door het aantal doelgroeppeuters per kindcentrum te vermenigvuldigen met 10.
De eerste maatregel is gericht op het vergroten van de kwantiteit (urenaanbod) en de tweede maatregel op de kwaliteit van voorschoolse educatie. EVENING onderzoekt welke effecten de maatregelen hebben gehad op de kwaliteit van voorschoolse educatie en de ontwikkeling van doelgroepkinderen.

Meer info
4,95