Wat heet opvoeden? Een bezinning op de pedagogische taak

Wat heet opvoeden? Een bezinning op de pedagogische taak

Olga Rodenko | 2004 | 90 6665 609 3
3,90
Abonneeprijs: 1,56

Omschrijving

In een boek over opvoeding verwacht men concrete aanwijzingen die de opvoeder bij zijn taak kunnen helpen. Dergelijke boeken zijn er. Er worden praktische adviezen aangereikt ten aanzien van wat
in moeilijke opvoedingssituaties gedaan zou kunnen worden. En wellicht zal men als lezer de eigen problematiek er min of meer in herkennen.
Maar waarschijnlijk nooit helemaal, omdat het als voorbeeld genomen kind niet het kind is met wie jij te maken hebt, en de beschreven situatie misschien wel overeenkomsten vertoont met de
jouwe, maar toch niet het eigen beleven, noch dat van het eigen kind kan weergeven.

Opvoeden zien wij als een bepaalde manier van omgang met elkaar. Daarbij is ‘iemand iets bijbrengen’ (normen bijvoorbeeld) niet meer dan een onderdeel, een uit die omgangsrelatie voortgekomen
resultaat. Het is de omgang zelf die het resultaat bewerkstelligt – dáár zal de opvoeder zich ons inziens dan ook in de eerste plaats op moeten richten.
Met name dus op grond van wat wij tijdens onze bemoeienissen met jongeren konden constateren, zijn wij tot de overtuiging ge￾komen dat een kind (ook en zelfs juist het probleemkind) zeker wel iets wil leren, wil aannemen – normen bijvoorbeeld – maar alleen via een persoonlijk toegestoken hand. Die hij dan ook nog, van zijn kant, moet willen pakken. Wederzijdse acceptatie zien wij als een allereerste vereiste.
Het opvoedingsproces wordt te vaak en onnodig bemoeilijkt doordat de opvoeder, ervan uitgaand dat het zijn voornaamste taak is de touwtjes in handen te houden, zoveel nadruk legt op sturing
en correctie dat de hele opvoeding kans loopt te verzanden in een continue machtsstrijd, waardoor de in onze visie zo veel belangrijkere, persoonlijke omgang in het gedrang komt. 
Zeker, een volwassen opvoeder dient zijn kind in zijn levenswandel te behoeden voor beschadigingen. Daartoe moet hij wel de nodige grenzen aangeven en erop toezien dat deze ook in acht geno￾men worden. Maar wat hij bovenal dient te bewaken is het behoud van een goede communicatieve relatie, opdat hij op de hoogte kan blijven van wat er zich in het beleven van het kind afspeelt: wat het
denkt, wat het voelt, wat hem tot zijn uitingen motiveert, hoe het op de opvoeding reageert. Met een goed contact heb je als opvoeder een beter (toe)zicht op het doen en laten van het kind, dan met
een strenge regelgeving. Regels zijn in iedere samenleving noodzakelijk, maar als zij niet berusten op wederzijdse instemming en acceptatie wordt het normerings– (en deraillerings-) probleem er niet
mee opgelost.
Dat contact hebben en (vooral dus) behouden lang niet zo eenvoudig is als menigeen schijnt te denken, hebben wij in ons werkgebied duidelijk genoeg kunnen waarnemen. Maar ook dat het de
moeite van het proberen alleszins waard is.


Aangezien wij in het hiernavolgende nu juist dit individuele be￾leven centraal willen stellen kan de lezer van ons niet veel concreet toepasbare adviezen verwachten. Ieder beleeft immers het zijne –
dat geldt zowel voor het kind als voor de opvoeder. Discussie over opvoeding is van alle tijden, en heden ten dage lijkt deze heviger dan ooit plaats te vinden. Wat ons bewoog tot het schrijven van ‘alweer een boekje over opvoeding’, was het besef dat ook wij vanuit onze jarenlange werkervaring in inrichtingen voor zogenaamd ‘zeer moeilijk opvoedbaren’ onze visie kenbaar moesten maken. Al was het alleen maar uit respect voor al die jongeren die bereid waren zich tijdens onze bemoeienissen aan óns kenbaar te maken. En beter laat dan niet, meenden wij. Maar te oordelen naar wat wij zoal van jongere collega’s in het vak vernemen, is het in deze kwestie nooit te laat: de problematiek is kennelijk in al die ja￾ren voor geen cent veranderd. Nog altijd wijken onze ideeën in belangrijke mate af van de meer gangbare – en heden ten dage zelfs sterker dan voorheen benadrukte – opvoedmethodieken.
Kinderen moeten leren zich te gedragen, dat is natuurlijk zo; en ook het veel gehoorde ‘herstel van normen en waarden’ is best te begrijpen in deze soms wel wat al te losbandige tijd. Maar dat de taak van de opvoeder daarmee is aangegeven en ingevuld, kunnen wij zeker niet onderschrijven.