Handboek management kinderopvang

Handboek management kinderopvang

Anja Hol Maaike Vaes | 2012 | 9789088502347

Omschrijving

In dit handboek gaan directeuren, adviseurs, managers, coaches, bestuurders en stafmedewerkers kinderopvang in op de stand van zaken met betrekking tot toezicht, sturing en bestuur van een kinderopvangorganisatie. Een veelzijdige aanpak die een groot aantal onderwerpen belicht.

Er is veel aandacht voor toezicht, sturing en bestuur van een kinderopvangorganisatie. Wat is bijvoorbeeld de rolverdeling tussen directeur/bestuurder en toezichthouders? Praktijkgerichte voorbeelden laten zien hoe valkuilen vermeden kunnen worden. Het sturing geven aan het primaire proces waarin het middenmanagement een cruciale rol speelt, is een belangrijk hoofdstuk. Concrete kwaliteitsondersteunende elementen als personeelsmanagement, veiligheid en gezondheid en permanent leren als team worden uitgewerkt. En er wordt ingegaan op financieel management, accommodatiebeleid, administratieve organisatie, managementtools, marketing en pr en crisismanagement. Ook wet- en regelgeving die het werk van de kinderopvang bepalen ontbreekt niet en de samenwerking met het onderwijs komt in diverse vormen aan de orde.

De auteurs willen de lezer deelgenoot maken in hun eigen ervaringen, hem informeren en inspireren. Daarin ligt de kracht van deze uitgave. Met een ongewisse toekomst van de kinderopvang voor de boeg bieden de teksten bestuurders, directeuren, managers, toezichthouders en andere geïnteresseerden handvatten om in de eigen organisatie te anticiperen op alle ontwikkelingen en een stevige kinderopvangorganisatie neer te zetten.

Het initiatief voor dit handboek is genomen door KIK, Kwaliteit in Kinderopvang. KIK is een vereniging van kinderopvangorganisaties die gezamenlijk investeren in de kwaliteit van en het maatschappelijk debat over kinderopvang. Lid van KIK zijn twaalf maatschappelijke kinderopvangorganisaties: DAK kindercentra, Kinderopvang Humanitas, KinderRijk, Kinderstad, Stichting Kinderopvang Hilversum (SKH), SKSG Kinderopvang , Surplus Kinderopvang, 2Samen, Spring Kinderopvang, TintelTuin, Kinderopvang Kanteel en Stichting Kinderopvang Alphen a/d Rijn (SKA).

Deel 1 - Kinderopvang

Deel 1 - Kinderopvang

De geschiedenis van de professionele kinderopvang in Nederland gaat terug tot halverwege de 19e eeuw en begint niet zoals velen denken bij de feministische golven in de jaren zestig en zeventig of, erger, bij de totstandkoming van de Wet kinderopvang in 2005. Onze huidige, moderne crèches hebben vele gevarieerde voorlopers, die echter alle twee fundamentele, kenmerkende vragen gemeen hebben: hoe kijkt de samenleving van dat moment aan tegen kinderen en wat is de (sociaaleconomische) positie van vrouwen?

Schooltjes en bewaarplaatsen: donker, onverwarmd, onveilig vuur 
Halverwege de 19e eeuw krijgt het stadsbestuur van Amsterdam verschillende brieven van verontruste ouders die menen dat hun kinderen ziek worden van het verblijf in kleine kinderen-schooltjes. Dokter Coronel, de stadsgeneesheer, krijgt in 1863 de opdracht na te gaan wat er waar is van die klachten. Vast van plan dit grondig aan te pakken, gaat hij de schooltjes zelf zoeken, want geregistreerd zijn ze niet. Op zijn tocht door de volksbuurten treft hij 260 schooltjes aan. Hij constateert dat de klachten van de ouders terecht zijn.

Meer info
3,95
Deel 2 - Toezicht, Sturing en Bestuur

Deel 2 - Toezicht, Sturing en Bestuur

Verreweg de meeste aanbieders in de sector – de gastouderopvang buiten beschouwing gelaten – kennen de stichting, de eenmanszaak of de bv als rechtsvorm. Dan zijn er nog aanbieders die onderdeel uitmaken van een groter geheel, meestal een welzijnsstichting. Kleine en middelgrote aanbieders kennen vaak een besturingsmodel met alleen een eigen directie en soms een instruerend of toezichthoudend bestuur.5 Grote aanbieders die de stichtingsvorm hebben, kennen veelal een Raad van Toezicht met een (Raad van) Bestuur. Organisaties die onderdeel zijn van een groter geheel hebben meestal een bestuur of Raad van Toezicht op centraal niveau. Kleine commerciële kinderopvangaanbiedersebben de eenmanszaak, de VOF of de maatschap als juridische vorm, soms de bv. Hier is de eigenaar ook directeur. Intern, onafhankelijk toezicht door een bestuur of een Raad van Toezicht komt bij deze organisaties meestal niet voor. Grote commerciële kinderopvangorganisaties (veelal bv’s) zijn vaak het eigendom van aandeelhouders, die hun bevoegdheden hebben in de Algemene Vergadering van Aandeelhouders (AvA). De AvA is dan het hoogste orgaan, dit geeft decharge aan bestuur (en aan het toezicht indien aanwezig), keurt strategische besluiten goed en benoemt de leden van het bestuur (en van het toezicht indien aanwezig). Bv’s komen voor met en zonder een Raad van Commissarissen (RvC) of Raad van Toezicht (RvT). Dit leidt tot zes hoofdvormen van besturingsmodellen.
Bij de vraag welke besturingsvorm voor een kinderopvangorganisatie het meest wenselijk is, spelen de omvang, de beschikbare competenties (kennis en vaardigheden), het al dan niet streven naar winst, de ontstaansgeschiedenis en de gewenste rolverdeling tussen bestuur en toezicht een rol. Deze zijn van belang bij het bestuurlijk en het toezichthoudend proces, maar ook bij de interactie tussen besturen en toezicht houden. Dit artikel is gebaseerd op de Governancecode Kinderopvang, opgesteld door de Commissie Governancecode Kinderopvang in opdracht van de bdKO (beroepsvereniging directeuren Kinderopvang en NVTK (Nederlandse Vereniging Toezichthouders in de kinderopvang).

Meer info
3,95
Deel 3 - Instrumenten

Deel 3 - Instrumenten

Het aantal vierkante meters in de groepsruimte is in overeenstemming met het convenant kwaliteit kinderopvang. Er zijn voldoende pedagogisch medewerkers per groep. Van deze medewerkers is een geldig diploma en een Verklaring Omtrent Gedrag aanwezig. Er worden groepsoverleggen en kindbesprekingen gehouden. De veiligheids- en gezondheidsrisico’s zijn geïnventariseerd en geëvalueerd. De speeltoestellen zijn goedgekeurd door een extern bureau. Er wordt jaarlijks een ontruimingsoefening gedaan. Het pedagogisch beleid is uitgewerkt aan de hand van de vier basisdoelen uit de Wet Kinderopvang en het beleidsstuk staat voor het grijpen in de kast. Het GGD-inspectierapport ligt ter inzage voor ouders en het HKZ-certifcaat hangt ingelijst aan de muur. Dit is een kleine greep uit praktijkvoorbeelden op het gebied van kwaliteit waar een kinderopvanglocatie al dan niet verplicht mee te maken kan hebben. Wat betekent kwaliteitszorg voor de kinderopvang? Hoe moet het realiseren van kwaliteitszorg aangepakt worden? Waar moet begonnen worden in het woud van wet- en regelgeving en kwaliteitssystemen? Hoe blijft dit alles beheersbaar? In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van alle kwaliteitseisen en -aspecten die van toepassing zijn op de kinderopvang en wordt aangegeven welke rol het management daarbij speelt in het cyclisch proces. 

Wet- en regelgeving
Hoewel de uitwerking van de kwaliteit in de kinderopvang vanaf de invoering van de Wet kinderopvang (2005) onder zelfregulering valt, hebben de kwaliteitseisen een wettelijk kader. Ze zijn op hoofdlijnen in de wet omschreven. De uitwerking van de kwaliteitseisen is geformuleerd en vastgelegd in het Convenant kwaliteit kinderopvang, getiteld ‘Verantwoorde kinderopvang: verdere stappen naar de toekomst’ dat is opgesteld door aanbieders en afnemers van kinderopvang (MO-groep, BKN en BOinK). Zie ook het hoofdstuk over wet- en regelgeving. De afspraken leggen basiseisen vast voor kwaliteit en regelen zaken als het aantal kinderen per pedagogisch medewerker, huisvesting, omgang van de stamgroep, medezeggenschap, veiligheid, gezondheid en informatie aan ouders. Deze uitgewerkte eisen uit het convenant zijn opgenomen in de beleidsregels die vervolgens weer de basis zijn  voor het toetsingskader van de gemeentelijke GGD. De handhaving, het zo nodig afdwingen van naleving van de regels, is opgedragen aan gemeenten; zie elders in dit handboek.

Meer info
3,95
Deel 4 - Personeel en Organisatie

Deel 4 - Personeel en Organisatie

Over personeelsmanagement en wat je daar allemaal onder kunt verstaan zijn boeken vol geschreven. Het gaat over de inzet van medewerkers om de doelstelling van de organisatie te realiseren, maar ook over zelfontplooiing van medewerkers of een combinatie daarvan. Welk accent wordt gelegd hangt niet alleen af van de cultuur van de organisatie of het management daarvan. Misschien is de economische situatie van dat moment wel meer een bepalende factor. In tijden dat de arbeidsmarkt krap is moeten werkgevers meer doen om medewerkers te werven en te behouden dan in tijden van werkloosheid. Het opleidingsniveau van medewerkers is een andere variabele die meespeelt. Iedereen kan zich voorstellen dat het personeelsmanagement in een autofabriek er anders uitziet dan op een advocatenkantoor. De gebruikte terminologie is ook niet statisch. Dit hoofdstuk heet personeelsmanagement maar tegenwoordig spreken we vaker over Human Resources Management wat een mooier woord is voor hetzelfde. De afdeling die zich daar met name mee bezighoudt in de organisatie heet sociale zaken, personeelszaken, personele zaken, personeel en organisatie of HR. De belangrijkste taken van deze afdeling zijn: het ontwikkelen van personeelsbeleid, het adviseren van leidinggevenden bij de uitvoering van het vastgestelde personeelsbeleid en het deels zelf uitvoeren van het beleid. Een personeelsadviseur adviseert een leidinggevende onder andere over het houden van functioneringsgesprekken maar voert in opdracht van de leidinggevende ook selectiegesprekken. 
De afdeling HR is daarmee in organisatietermen enerzijds een stafafdeling en anderzijds een hulpafdeling. Terug naar de definitie van personeelsmanagement. Personeelsmanagement gaat over alle activiteiten die een organisatie onderneemt op het gebied van werving, behoud en ontslag van medewerkers. Het gaat over verschijnen, schijnen en verdwijnen.

Meer info
3,95
Deel 5 - Wet- en regelgevingdeel

Deel 5 - Wet- en regelgevingdeel

De kinderopvang is in beweging. Die beweging leidt ongetwijfeld tot aanpassingen in de wet- en regelgeving die geldt voor de kinderopvang. Misschien zijn er, als u dit boek leest, inmiddels concrete plannen om de wet- en regelgeving te wijzigen. Dit hoofdstuk geeft om die reden niet alleen de huidige stand van zaken (begin 2011) weer die immers kan wijzigen, maar gaat ook in op de systematiek van de wet- en regelgeving die geldt voor de kinderopvang. Het is belangrijk is om altijd naar de meest actuele stand van zaken te kijken. Daarom sluit dit hoofdstuk af met een aantal vindplaatsen voor de geldende wet- en regelgeving.

Wet kinderopvang
In 2005 trad de Wet kinderopvang in werking, het eerste wettelijk kader voor de kinderopvang in Nederland. Voor die tijd had de sector te maken met een lappendeken aan, vooral gemeentelijke regels. De belangrijkste wijziging die de Wet kinderopvang in 2005 bewerkstelligde betrof de rol van de ouder. De ouder is sindsdien dé contractpartij voor de kinderopvang, de ouder betaalt de kosten van de kinderopvang. De ouder krijgt een deel van die kosten door de overheid vergoed. Daarmee kwam de afhankelijkheid van kinderopvangorganisaties en ouders van gemeentelijk beleid te vervallen en kwam er een einde aan de wirwar van subsidieplaatsen, bedrijfsplaatsen en particuliere plaatsen die ook nog eens per gemeente anders gedefinieerd werden. De Wet kinderopvang is sinds 2005 meerdere malen gewijzigd. Zo zijn er grote wijzigingen doorgevoerd voor gastouderopvang en voor peuterspeelzalen. Die wijzigingen komen ook in dit hoofdstuk aan bod. De huidige titel van de wet is ‘Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen’. Voor de leesbaarheid spreken we in onderhavig hoofdstuk over de Wet kinderopvang.

Systematiek
De Wet kinderopvang regelt de financiering en de kwaliteit van de kinderopvang. Nadere regels worden gesteld in zogenaamde algemene maatregelen van bestuur. De bepalingen in de wet en in die algemene maatregelen van bestuur gelden onverkort voor alle spelers op de kinderopvangmarkt. Kwaliteitsregels voor de kinderopvang worden uitgewerkt in de zogenaamde Beleidsregels kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen. De inhoud van deze beleidsregels komt tot nu toe uit de sector zelf.

Meer info
3,95
Deel 6 - Samenwerking in de praktijk

Deel 6 - Samenwerking in de praktijk

In het eerste decennium van de 21e eeuw heeft de kinderopvang een aantal ingrijpende ontwikkelingen doorgemaakt. De belangrijkste daarvan was uiteraard de introductie van de Wet kinderopvang. In andere hoofdstukken in dit boek komt die ruimschoots aan bod. Er zijn echter ook andere ontwikkelingen in de kinderopvang geweest die bepalend zijn voor de kinderopvang anno nu. Dit hoofdstuk handelt over twee van deze bepalende ontwikkelingen, namelijk de motie Van Aartsen-Bos, die zich richt op de buitenschoolse opvang en de zogenaamde Wet OKE die dagopvang en peuterspeelzalen dichter bij elkaar brengt. In dit hoofdstuk laten we zien hoe deze ontwikkelingen in de praktijk vorm hebben gekregen bij een middelgrote kinderopvangorganisatie, 2Samen in Den Haag. We doen dit niet omdat de praktijk van 2Samen laat zien hoe organisaties hun eigen praktijk vorm moeten geven. Dat kan namelijk niet, want iedere kinderopvangorganisatie is anders en bevindt zich in een andere omgeving met een eigen dynamiek. De lokale situatie bepaalt immers het beleid en de acties van de organisatie. Het voorbeeld van 2Samen laat zien hoe een kinderopvangorganisatie heeft ingespeeld op nieuwe ontwikkelingen in de markt en welke overwegingen daarbij een rol speelden en spelen. Elders in dit boek worden de verschillende vormen van samenwerking tussen kinderopvang en onderwijs, die zich in het land voordoen, besproken. 

Motie Van Aartsen-Bos
De toenmalige fractievoorzitters uit de Tweede Kamer Jozias van Aartsen (VVD) en Wouter Bos (PvdA) dienden in 2005 een motie in waarmee ouders aanspraak kregen op voor- en naschoolse opvang. Scholen werden verantwoordelijk voor het organiseren of laten organiseren van deze buitenschoolse opvang. Aanleiding voor deze motie vormden de enorme wachtlijsten in en tekorten aan buitenschoolse opvang. Letterlijk luidde de motie: ‘… verzoekt de regering de wet- en regelgeving met ingang van 1 januari 2007 zodanig aan te passen dat scholen worden verplicht hetzij voor- en naschoolse opvang te bieden tussen .30 en 18.30 uur, hetzij faciliteiten te bieden waarbinnen andere partijen dat doen en de randvoorwaarden hierbij aan te geven.’ De motie werd aangenomen. Als gevolg van deze motie is de Wet op het primair onderwijs aangepast.84 Sinds augustus 200785 zijn scholen verplicht om de aansluiting met de kinderopvang te regelen. Uitgangspunt is dat onderwijs en kinderopvang gescheiden verantwoordelijkheden zijn.

Meer info
3,95
Deel 7 - Dienstverlening en ouders

Deel 7 - Dienstverlening en ouders

De positie van ouders
Inspraak van ouders is niet meer weg te denken uit de kinderopvang. De verdere professionalisering van de sector maakt dat invloed en medezeggenschap van maar vooral partnerschap met ouders belangrijke voorwaarden zijn voor de kwaliteit van deze dienstverlening. Opvoeding en opvang moeten op elkaar worden afgestemd in het belang van het kind. Er moeten niet alleen doorgaande ontwikkelingslijnen bestaan tussen de opvang en het basisonderwijs, maar vooral ook tussen de opvang en de opvoeding thuis. De titel van dit hoofdstuk is dan ook onjuist, want ouders zijn geen partij, maar partners. Wettelijk bezien zijn ouders echter wel een partij. Omdat het moeilijk is om kwaliteit en betrokkenheid te kwantificeren, is ervoor gekozen om de inspraak, invloed, betrokkenheid van ouders te omschrijven en vast te leggen. Hierdoor is het minimum gedefinieerd van die zaken die door de kinderopvangorganisatie in elk geval geregeld dienen te zijn als het gaat om de medezeggenschap van ouders. In dit hoofdstuk komen deze wettelijke bepalingen aan bod, maar ook het partnerschap met de ouders.
Door een goed en regelmatige contact met ouders kan de dienstverlening aan kinderen worden verbeterd en verder worden afgestemd op de behoeften van kinderen en ouders. Door ouderbetrokkenheid kan er maatwerk geleverd worden in het belang van groepen kinderen. In het verleden is gebleken dat vernieuwingen in de kinderopvang mede zijn ontstaan door goed contact met en het luisteren naar de wensen van ouders. Dit alles resulteert in hogere kwaliteit en meer tevredenheid. 

Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen
De Wet kinderopvang is op 1 januari 2005 in werking getreden. De wet is per 1 januari 2010 aangepast in verband met een herziening van het stelsel van gastouderopvang. Sinds 1 augustus 2010 is de wetgeving betreffende peuterspeelzalen opgenomen in de Wet kinderopvang, waardoor deze wet wordt aangehaald als Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen. Voor wat betreft de rechten en plichten van ouders op het gebied van inspraak geldt de Wet kinderopvang voor kinderdagopvang (van 0 tot 4 jaar), buitenschoolse opvang (van 4 tot 12 jaar) en gastouderopvang. Expliciet wordt vermeld dat de wet niet geldt voor tussenschoolse opvang of gesubsidieerd peuterspeelzaalwerk (van 2 tot 4 jaar).

Meer info
3,95
Deel 8 - Marketing en communicatie

Deel 8 - Marketing en communicatie

De afgelopen tien jaar heeft in kinderopvang een enorme groei in vraag en aanbod plaatsgevonden. De vraag naar opvangplekken was echter veel groter dan het aanbod. Er waren wachtlijsten en kinderopvangorganisaties bevonden zich vaak op het gebied van werving van nieuwe ouders in een riante positie. Inmiddels zijn vraag en aanbod landelijk gezien nagenoeg op elkaar afgestemd. Naar verwachting zullen in 2012 in grote delen van het land voldoende kinderopvangplaatsen beschikbaar zijn om aan de vraag te kunnen voldoen. Vanaf dat moment wordt tevens een stabilisatie verwacht van het aantal kinderen in de leeftijd van 0 tot 12 jaar. Marktverzadiging is dan bereikt en ouders zullen voldoende keuze hebben. Daarnaast gaat de overheid de komende jaren verder bezuinigen op kinderopvang en daardoor zullen de kosten voor kinderopvang fors stijgen. Dit betekent dat de kinderopvangbranche rekening moet houden met mogelijke afname van de vraag doordat ouders de kosten van kinderopvang als te hoog gaan ervaren. In 2005 heeft een soortgelijke situatie geleid tot een tijdelijke landelijke vraaguitval van 10%. Genoemde ontwikkelingen zullen ertoe leiden dat een deel van de ouders een goedkoper alternatief zoekt voor de opvang van hun kinderen of minder dagen kinderopvang gaat afnemen. Ouders kunnen tevens overwegen minder of niet meer te gaan werken. Dit heeft met name gevolgen voor de kinderdagverblijven en de buitenschoolse opvang. De consequentie van deze ontwikkelingen is dat de kinderopvang in vergelijking met voorgaande jaren meer inspanningen zal moeten verrichten om ouders te behouden en nieuwe ouders te werven. Marketing zou dan ook een hoge prioriteit moeten krijgen bij kinderopvangorganisaties. 

Het belang van marketing
Marketing wordt soms beschreven als de kunst van het verkopen, maar het belangrijkste onderdeel van marketing is niet de verkoop. Peter Drucker, een autoriteit op het gebied van management, stelde al dat het doel van marketing het overbodig maken van de verkoop is. Het doel van marketing is om de klant zo goed te kennen en te begrijpen, dat de dienst altijd op hem of haar van toepassing is en als het ware zichzelf verkoopt.

Meer info
3,95
Handboek management kinderopvang (complete uitgave)
Literatuur

Literatuur

Literatuur

Meer info
3,95
Personalia

Personalia

Personalia

Meer info
3,95
Ten geleide

Ten geleide

Het boek Handboek management kinderopvang is bestemd voor alle grote – in de kinderopvang werkzame – kapiteins en geeft handvatten voor het besturen van hun Nooitlek. In 1996  verscheen een eerdere versie van dit boek genaamd Management in de Kinderopvang, Handboek voor sturing van een veranderende professionaliteit, onder redactie van Anja Hol en Jet Nabuurs. Sinds 1996 is de kinderopvang sterk veranderd. Een goede aanleiding om met een nieuwe versie van het boek te komen. De volgende trefwoorden geven de veranderingen in de kinderopvang in een notendop weer: Wet kinderopvang, vraagfinanciering, enorme groei, politieke ontwikkelingen, inhoudelijke ontwikkelingen – zoals de Context Kinderopvang – kwaliteitsverbeteringen, positie ouders, bezuinigingen, et cetera. Het eerste deel van dit boek schetst de ontwikkelingen in de kinderopvang en plaatst Nederland bovendien in een internationaal perspectief.

Meer info
3,95